WOORD- EN TEKSTVERKLARING
IN DE GÎTÂ

Hoofdstuk per hoofdstuk

HOOFDSTUK 1








AUM

Een woord waaraan in India, in het bijzonder in de Brahmaanse literatuur  heilige betekenis wordt toegekend.
Gebeden en heilige geschriften worden ermee geopend en gesloten. Het is een samenstelling van de beginletters
van de namen van de goden Agni, vuur; Varuna, water, en Maruts, lucht. Op een bepaalde wijze uitgesproken
veroorzaakt de klank een rustgevende weerkaatsing in de schedel.

1. Kurukshetra. De oorspronkelijke tekst begint met de woorden “dharmakshetre kurukshetre”, hetgeen duidt op
de gemanifesteerde wereld als het ervaringsveld van het menselijke bewustzijn, het strijdtoneel, waarop de strijd
tussen de ‘krachten des Lichts’ en de ‘krachten der Duisternis’ moet worden gevoerd.
2.  Sanjaya. De wagenvoerder en zanger des koning. Door Vyâsa begiftigd met goddelijke visie, opdat het kleinste
detail kon worden naverteld.
3.  Drupada. Zoon van Prishata, koning Panchâla; vader van Draupadî.
4.  Bhîma. ‘De verschrikkelijke’. De tweede zoon van Kuntî bij Vâyu, de god van de wind.
Yuyudhâna. ‘De krijgshaftige’. Een van de namen van Sâtyaki.
Virâta. Koning van Virâtam, het land waar de Pândava’s het laatste jaar van hun ballingschap doorbrachten.
5. Dhrishtaketu. ‘Vol vertrouwen in zuiverheid’. Zoon van Śiśupâla, koning der Chedi’s: bekend om hun trouw aan
de oude wetten en instellingen.
Chekitâna. Zoon van Dhrishtaketu.
Kâsi. Het tegenwoordige Benâres.
Purujit. ‘Overwinnaar van velen’.
Kuntibhoja. Broeder van Purujit.
Śaivja. Koning der  Śivi’s.
6. Yudhâmanyu. ‘Bezitter van een krijgshaftige geest’.
Uttamaujas. “Van uitmuntende waarde’.
Subhadrâ. ‘De zeer gelukkige’; jongere zuster van Kŗşna en vrouw van Arjuna.
Draupadî. Dochter van Draupada. Geslachtsnaam van Kŗşna. Symbolisch, ‘het aardse leven van de persoonlijkheid’.
7.   Dvijottama. ‘Beste der tweemaal geborenen’.
8.  Bhîshma. Zoon van  koning Śantanu en de riviergodin Gangâ. De eigenlijke gerechtigde op de troon der Kuru’s.
Hij deed afstand ten behoeve van de kinderen van zijn vaders tweede vrouw Satyavati, maar bleef de beschermer
van de troon. Hij werd door de zonen van Dhrtarästra overgehaald hun zijde te kiezen.
Karna. Zoon van Prîtha bij Sûrya, de zon. Halfbroer van Arjuna.
Kripa. Zoon van de wijze Saradvat, met zijn zuster geadopteerd door koning Śantanu.
Aśvatthâman. Zoon van Drona en Kripâ, de zuster van Kripâ.
Vikarna.  Derde van de honderd zonen van Dhrtarästra.
Somadatta. ‘Geschenk van de maan’.
15. Pânchajanya.  Hoorn in de vorm van een schelp. Kŗşna verwierf deze door de gelijknamige zee-elementaal, die
de vorm van een schelp had aangenomen, te overwinnen. De naam betekent ‘vijf klassen’ en heeft betrekking op
de vijf ‘lagere’ klassen van wezens die door de Hindoes beschouwd werden het universum te bevolken. Deze als
‘demonen’ te beschouwen is onjuist, daar ook de mensen één van de vijf Pânchajanya’s vormen.
Devadatta. ‘Geschenk der goden’, door Indra, Arjuna’s vader, geschonken.
16.  Yudhishthira. ‘Standvastig in de strijd’. De oudste van de vijf zonen van Kuntî en de ‘god der
rechtvaardigheid’, Dharma. De eerste historische koning van Sacca bij de aanvang van Kali-Yuga, het ijzeren
tijdperk dat 432.000 jaar duurt. Hij leefde 3202 jaar voor Christus. Symbolisch de Hogere Ego in de mens.
Ananta-Vijaya. ‘Eeuwige overwinnaar’.
Nakula en Sahadeva. Zonen van Madrî, de tweede vrouw van Pându, en de Ásvins, de tweelinggoden van het
uitspansel.
Sughosha. ‘Maker van veel lawaai’.
Manipushpaka. De juweelbloemige’.
17. Śikhandin. Zoon van Drupada. Zijn geschiedenis is een van de voorbeelden van reïncarnatie, die veelvuldig in de
Mahâbhârata voorkomen.
Dhrishtadyumna. ‘Vol vertrouwen in kracht’. Zoon van Drupada.
Sâtyaki. Bloedverwant van Kŗşna, fungerende als diens wagenmenner.
20. Hanumân. De vereerde aapgod van de Râmâyana, zoon van de Pavana, de god van de wind. Hem worden
bovennatuurlijke eigenschappen toegekend.
24. Gudâkeśa. ‘Bezitter van veel haar’, een van de namen die aan Arjuna worden   gegeven. Het ‘bezit van veel
haar’ symboliseert grote kracht.
25. Drona. Huwde Kripâ, de halfzuster van Bhîshma. Was leermeester in de krijgskunst, zowel van de Kuru’s als
de Pândavas. Hij koos wegens zijn familierelatie met Bhîshma de zijde der Kuru’s.
Pârtha. Arjuna, Zoon van Prîtha.
30. Gândiva. De boog Gândiva werd oorspronkelijk door Soma aan de god Varuna geschonken, die hem op zijn
beurt aan Agni gaf. Arjuna ontving hem van deze vuurgod ten einde hem bij te staan in een strijd met Indra, de
god van het firmament. De boog kon slechts met bovennatuurlijke kracht gespannen worden. Soma, is
astronomisch de Maan. Esoterisch echter de mysteriegod die de mystieke en metafysieke natuur in de mens en
universum bestuurt.
31. Keśava. ‘Bezitter van veel of fijn haar’. Een naam voor Kŗşna, evenals voor Vishnu.Betekent ook: ‘hij wiens
stralen zich als allesomvattend manifesteren.
32. Govinda. ‘Hoofd der koeherders’. Een naam voor Kŗşna, verwijzende naar diens jeugd, daar hij door een
herdersvolk werd grootgebracht.
35. Madhusûdana. Een naam voor Kŗşna en Vishnu. Vernietiger van Madhu, het demonische.
De drie werelden. In de exoterische betekenis: hemel, aarde en hel; esoterisch de geestelijke, psychische en aardse
sfeer – ook in het menselijke bewustzijn.
36. Janârdana. ‘De eeuwig geborene’. Kŗşna in Zijn Avatârische manifestatie van Vishnu.
37. Mâdhava. Een naam van Kŗşna of Vishnu.
42. Kaste-verwording. (Breken met familie-tradities, of de vernietigers van het geslacht) De oorspronkelijke
betekenis der kasten lag niet in de maatschappelijke orde die gevormd wordt door afkomst, maatschappelijke
positie of intellectuele scholing, maar volgde de natuurlijke door Karma tot uitdrukking komende hoofdtypen van
menselijke bewustzijn. Men behoorde niet tot een kaste door geboorte in een bepaald milieu, maar door de mate
waarin het bewustzijn was gericht op de geestelijke of de stoffelijke zijde der natuur.