HOOFDSTUK 10
3. Maharshi’s. ‘Grote Wijzen’, van mahâ, ‘groot’, en rishi, ‘wijze’.
4-5. Commentaar. “Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.”
(Matthéus 6.14) “Dat gij den boze niet wederstaat.” (Matthéus 5.39a) Toorn door de vergever beheerst, kan groot
kwaad veroorzaken tevens de goede Karma van de schuldige aantasten indien de dader om geen vergiffenis vraagt.
(MB 5.36.05) De persoon die kwaad doet gaat op dezelfde manier ten onder, indien hij of zij geen vergiffenis vraagt.
(MS 2.163). De persoon die overtreders vergeeft is gelukkig, daar de toorn van de vergever is uitgeroeid. Iemand’s
opgang door geestelijke discipline is gedwarsboomd wanneer zijn inter-persoonlijke relatie met toorn en negatieve
gevoelens is gevuld, al komt het tegenover een enkele levende wezen.
Zelfs deugden hebben hun eigen ondeugden. De vergeving kan dikwijls als een teken van zwakheid worden
beschouwd; daarom is genadeverlening de kracht van de sterken, en de deugd van de zwakken. Iemand moet worden
vergeven, indien hijzelf en in alle oprechtheid om vergeving vraagt, als het de eerste belediging is, de belediging niet
bedoeld was, en de overtreder in het verleden toch gedienstig is geweest. Het strafrechtelijk mag worden opgelegd,
zonder gevoel van revanche – wanneer de overtreder intentioneel en herhaaldelijk is herbegonnen, en dit om de
persoon te corrigeren. (Dr. Ramananda Prasad)
6. Rishi. Zie 5.25 De wijzen in de Veda’s, ook algemene naam voor geestelijke leraren, enz.
Manu. Zie 04.01 De veertien ‘gidsen’ van de zeven tijdvakken in een manvantara. Ook anders uitgedrukt, de
eerste mens bij het begin van elk nieuwe ras, en wereldtijdperk
De vier Ouden zijn de vier Kumaras, de eeuwige Jongelingen, die er vanouds geweest zijn, de allerhoogsten in de
occulte hiërarchie van onze aarde.
10. Buddhi-Yoga. Zie 02.29. Yoga der kennis. Intelligentie (buddhiyoga): het intellect wordt verhelderd tot
intelligentie en verkrijgt zekerheid door de intuïtie van buddhiyoga. Het is de methode van het ontwikkelen van
geestelijke kennis door gebruikmaking van het verstand, of de weg van het handelen in bhakti-yoga.
Verdere commentaar. De Veda liet de laatste vraag aangaande de oorsprong van de ultieme Realiteit
onbeantwoord, door het benadrukken dat niemand de ultieme bron kent waardoor de schepping is gekomen.
Geleerden gingen verder zeggen dat misschien Hij het ook niet weet (RV 10.129.06-07). Iemand die zegt God te
kennen, kent Hem niet; iemand die de Waarheid kent, zegt dat hij het niet weet. Voor een persoon met ware kennis
blijft God de onbekende, alleen de onwetende weet het (KeU 2.01-03). De ultieme bron van kosmische energie is en
zal een geheim blijven. Elke specifieke beschrijving van God, tevens deze van hemel en aarde, is niets anders dan
mentale speculatie. (Dr. Ramananda Prasad)
12. Para-Brahman. Letterlijk: ‘boven Brahman’. Para-Brahman is de “Werkelijkheid” of het Zijnde van de
Grenzeloze Ruimte en is dus het AL of TAT.
13. Nârada. Eén van de zeven of tien grote Rishi’s of Prajâpati’s, uit de geest van Brahmâ geboren.
Uit het Engels:
“O' Narada being very satisfied by your goodness and service you were taught the ultimate science of transcendental
devotion to the Supreme Lord fully illuminating the truth of the soul which is perfectly known by souls surrendered
to Lord Krishna.”
Srimad Bhagavatam, Canto 2, chapter 7, verse 9
Asita, Devala. Vedische Wijzen.
Vyâsa. Letterlijk: ‘Een die uitbreidt of versterkt’. In de Mahâbhârata de halfbroer van Vichitravïrya en
Bhîshma. Vanwege zijn donkere huid werd hij Krishna genoemd. De Purâna’s (Srimad Bhagavatam, in achttien
delen) vermelden 28 Vyâsa’s, welke de incarnaties van Brahmâ of Vishnu voorstellen. Een van hen wordt beschouwd
als de grondlegger van het Vedânta-systeem. Zie de hoofdstukken 02 en 10.37.
Uit het Engels:
“In course of time Vyasa bearing in mind the intelligence and short life span of humanity at large considered his
compilation of the Vedas to be too difficult, so he divided the Vedic knowledge into different branches.”
Srimad Bhagavatam, Canto 2, chapter 7, verse 36
(Het word purâna betekent letterlijk ‘oud’, het is de naam van een groep geschriften waarin geschiedenis, mythen en
genealogie tot een geheel is gemaakt.)
Amritam: het elixir van onsterfelijkheid.
14. Dânava’s. Reuzen en demonen, de tegenstanders van de goden der ritueel.
15. Purushottama. Zie 08.01 en hoofdstuk 15. Purushottama: (Purusha-uttama) hetgeen betekent Allerhoogste of
Verhevene (Soevereine) Heer.
18. Amrita. De nectar der goden die onsterfelijkheid brengt indien hij met grote teugen wordt gedronken. Daarom
wordt hij ‘de wateren der onsterfelijkheid’ of ‘levenselixer’ genoemd. Amrita (Soma der goden) werd gemaakt toen
de goden Ananta (zie 10.29) gebruikten voor het karnen van de oceaan. Mystiek aangehaald, het water van
bovenaardse wijsheid en het spiritueel baden in zijn levengevende kracht. (Zie 14.20)
20. Gudâkeśa. Zie 01.24. Arjuna.
21. Âditya’s. De zeven zonen van Aditi; de zeven planetaire goden. Aditi is de ‘moedergodin’ (zoals de Mariaverering
in het Christendom, vooral bij de Katholieken en Orthodoxen); haar aardse symbool is de oneindige ruimte. In een
diepere betekenis: ‘goddelijke wijsheid’. Enkele meer mystieke geschriften spreken van twaalf Âditya’s of planetaire
goden, waaronder vijf onzichtbare planeten.
Maruts. De stormgoden (energieën) en helpers van Indra. Ze vertegenwoordigen de hartstochten die woeden in
het innerlijk van de leerling, maar ook de occulte vermogens die verborgen zijn in de lagere beginselen van Âkâśa.
22. Samaveda. De derde van de Veda’s.
Vâsava. Een naam van Indra.
23. Śankara. Een naam van Siva, een van de aspecten van de Hindoese drie-eenheid (herinnert u de leer van de
Drievuldigheid in het Christendom, Vader, Zoon, Geest).
Brahmâ - de Schepper;
Vishnu - de Onderhouder;
Siva - de Vernietiger en Herschepper.
Rudra’s. Een andere naam voor de stormgoden of Maruts. Ze vertegenwoordigen een ander aspect van de Kumâra’s.
Zie 09.25.
Vitteśa. Een naam voor Kubera, de god der weelde.
Yaksha’s. Een klasse van hemelse wezens die in het algemeen met Kubera in verband worden gebracht. In de
Esoterische Wijsbegeerte zijn ze slechts negatieve invloeden die de mensen aandoen wanneer deze daarvoor open
staan.
Râkshassa. Zie 09.12. Demonen.
Pâvaka. Eén van de acht Vasu’s of vuren. Ook toegepast op Agni, met de betekenis van ‘schitterend’ of
‘stralend’.
Meru. Mythologisch een berg in het centrum van de aarde. H.P. Blavatsky zegt: “Meru is niet de fabelachtige
berg in de navel van de aarde, maar zijn wortels vormen die navel, hoewel deze zich in het hoge noorden bevindt.”
“De Noordpool is het land van ‘Meru’, die de zevende afdeling is, daar deze correspondeert met het zevende beginsel.”
24. Brihaspati. De vader der goden. Ook de bestuurder van de planeet Jupiter.
Skanda. Kârttikeya, de god van de oorlog.
Bhrigu. Een van de meest vereerde Vedische wijzen, een van de tien Prajâpati’s
Japa. Een van de mystieke praktijken van toegewijden, bestaande uit het steeds herhalen van verschillende
magische formules. De Heer Krishna beschouwt het prevelen van mantra’s (japa) als het belangrijkste offer dat een
mens kan brengen. Onder de mantra’s – geestgeleiders – die men prevelend kan reciteren, zijn die welke Krishna’s
Heilige Namen bevatten – en niet de namen van grootheden in de tweede en derde graad zoals Siva, Ganesha,
Sarasvatî – het voornaamst.
25. Commentaar. Dr. Ramananda Prasad: voordurende zingen van een mantra, of van een heilige naam van God,
zijn door heiligen en wijzen van alle godsdiensten beschouwd als de gemakkelijkste en meest krachtige methode van
zelfrealisatie in deze tijd. Het in praktijk brengen van deze geestelijk discipline in geloof, verspreid geluidsvibratie in
de diepste lagen van het gemoed, waar het als een bevochtiger werkt om het opkomen van de golven der negatieve
gedachten en ideeën tot de innerlijke ontwaking te voorkomen. Meditatie is het uitgebreide en hogere stadium van
deze ontwikkeling. Het moet eerst gepraktiseerd worden alvorens met de transcendentale meditatie te beginnen.
Swami Harihar zegt: onnodig om herhaaldelijk de goddelijke naam te repeteren in ruil voor wereldse voorwerpen. De
geestelijke kracht van de goddelijke naam mag zomaar niet worden gebruikt, zelfs niet om de ondergang van de
zonde te bekomen. Het kan enkel worden gebruikt voor goddelijke realisatie.
De vormgeving van de Heer kan door het gemoed niet worden vastgesteld, of zonder een benaming begrepen. Indien
iemand zingt, of mediteert op de naam zonder de vorm te zien, komt deze te voorschijn als een voorwerp van liefde
op het scherm van het gemoed. Een grote heilige zei: plaatst de lamp van de naam van de Heer naast de deur van uw
tong indien u binnen en buiten wenst verlicht te zijn. De naam van God is groter dan de onpersoonlijke en
persoonlijke aspecten van God, daar de kracht van de naam beide aspecten van God controleert. Er wordt gezegd dat
de herinnering en het herhalen van de naam van God de beste geestelijke inspanning zijn.
26. Aśvattha. Zie 15.01.
Nârada. Zie 10.13.
Gandharva’s. De musici en zangers der goden, wier woonplaats het firmament is. Zij bereiden de hemelse
Somadrank voor de goden. In de Veda’s worden ze beschreven als degenen die de geheimen der hemelen en de
goddelijke waarheden aan de mensen openbaren. Kosmisch zijn de Gandharva’s het aggregaat van krachten van het
zonnevuur. Psychisch zijn ze de intelligentie die zetelt in de Sushumma – de eerste van de zeven stralen der zon,
maar ook de ruggengraatzenuw die het hart met de Brahmaranda verbindt. Mystiek de occulte kracht in Soma.
Fysiek de oorzaak van het waarneembare geluid. Spiritueel de noumenale oorzaak van het geluid en de ‘Stem der
Natuur’.
Chitraratha. De koning der Gandharva’s.
Kapila. Een van de Rishi’s. O.a de stichter van de Sânkhya-school. Zie hoofdstuk 27. Uchchaihśravas. Het witte
paard dat door de goden werd voortgebracht bij het karnen van de oceaan.
Airâvata. Evenals het strijdros van Indra geboren bij het karnen van de oceaan.
28. Kandarpa. De god der liefde.
Vâsuki. De koning der Nâga’s, symbool van onsterfelijkheid en wijsheid. Ingewijden werden Nâga’s genoemd.
29. Ananta. Naam van de zevenkoppige slang Śesha, die tijdens een Pralaya het rustbed van Vishnu is. Hij wordt
Ananta – of oneindige – genoemd, omdat hij door Manvantara’s en Pralaya’s heen blijft bestaan. Ananta wordt
voorgesteld als drager van een ploeg en een stamper, omdat de goden hem bij het maken van Amrita als een touw
gebruikten, zijn staart rond de berg Mandara kronkelden, om deze aldus als een karn te gebruiken. De zeven
koppen van Śesha zijn het symbool van de zeven beginselen van de manifestatie, die uit het ‘karnen van de oceaan’,
de Ruimte, ontstaat.
Varuna. Een van de oudste goden der Veda’s. Wordt gepersonifieerd met het alomvattende firmament, de schepper
en onderhouder van hemel en aarde; bezitter van ongelimiteerde kennis. Regeert evenwel voornamelijk over de
nacht.
Aryaman. Het hoofd van de Pitri’s. Ook een van de Âditya’s. Zie 09.25 en 10.21.
Yama. De god van de onderwereld. Zoon van de Zon, Vivasvat. De dodenrechter. De god van gerechtigheid,
Dharma. Volgens de Esoterische Filosofie vertegenwoordigt Yama met zijn tweelingzuster Yamî o.a. de tweevoudige
Manas.
30. Daitya’s. De titanen die voortdurend met de goden in de oorlog zijn. In de Esoterische Filosofie zijn ze de
aandrijvers van de evolutionaire groei in de kosmische processen.
Prahlâda. Een van de Daitya’s die echter een vereerder van Vishnu werd. Daarvoor werd hij door zijn vader ter
dood veroordeeld, toch geen wapen van de Daitya’s was in staat hem te doden.
Garuda. De drager van Vishnu, voorgesteld met het lichaam en de ledematen van een mens, maar met kop,
vleugels, klauwen en snavel van een adelaar. De koning der vogels. Symbolisch en esoterisch de grote cyclus.
31. Pavana. De god van de wind. Ook Vâyu. Zie 11.39.
Râma. De zevende Avatar van Vishnu; incarneerde aan het einde van Tretâ-yuga. Zie 11.39.
Makara. Het voertuig van Varuna, de god van de oceaan.
Jâhnavî. De Ganges.
Dvandva. Een paar van tegenstellingen. Dva, ‘twee’.
33. A. De andere letters van het Sanskrit worden allen uitgesproken met de A: bijvoorbeeld Akatha.
Dvandva. Woord dat paren van dingen uitdrukt, bijvoorbeeld hastyasvau, olifant en paard.
35. Brihatsâma. Hymnen geschreven in de versmaat 8-8-12-8.
Gâyatri. Een oude versmaat 8-8-8.
De Mantra:
Aum Bhûr Bhuvah Svah
Aum Tat Savitur varenyam bhargo devasya dhîmahi
Dhiyo yo nah prachodayât
Aum
Vertaling:
Aum
O, Schepper van het heelal
Mogen wij Uw soevereine zondevernietigend licht ontvangen
Moge U onze intellect in de goede richting leiden
Aum
Mârgaśîrsha. De maand waarin de volle maan Mrigaśîras binnengaat; de tiende of in later tijden de eerste maand
van het jaar.
Kasumâkara. De lente.
37. Vrishni. Een afstammeling van Yadu, de eerste van het Yâdava-geslacht dat met Krishna uitstierf. Yadu was dus
de halfbroer van Puru, de voorvader van de Kuru’s.
Vâsudeva. Zie 07.19.
42. Ekamsena, eka amsena, dit is: met een uiterst klein deeltje, een fractie. De goddelijke eenheid moet men zich
echter niet denken als in stukken gebroken. De kosmos is slechts een openbaring in tijd-ruimte. De Allerhoogste,
Purusha-uttama is boven tijd-ruimte uit, de Al-Ene.