HOOFDSTUK 11
1. Adhyâtman. Zie 07.29. Geestelijk licht, enz. In de “Yoga Sutra’s van Patanjali” leest men: “Bij het verkrijgen van
de allerhoogste zuiverheid van het Nirvicara (een toestand van het bewustzijn tijdens samprajnata samadhi, als
geestelijk licht begint te dagen) stadium van Samadhi, begint het geestelijk licht te dagen.” (Deel I. Vers 47).
3. Purushottama. Zie hoofdstuk 15. De Verhevene Persoon.
Paramesvara: de Opperheer.
4. Yogesvara: de Heer van alle mystieke kracht.
6. Âditya’s. Zie 10.21. De zonen van Aditi, de naam die in de Veda’s aan Mûlaprakriti wordt gegeven.
Vasu’s. Een klasse van goden, verbonden met Indra.
De acht Vasu’s zijn:
Âpa - water
Dhruva - de Poolster
Soma - de Maan
Dhara - de Aarde
Anila - de Wind
Pâvaka - het Vuur
Prabhâsa - de schaduw
Pratyûsha - het licht
Rudra’s. Zie 10.23. Een groep machtige Deva’s.
Aśvins (of Aśvinau). Twee Vedische goden, die worden voorgesteld als een ruiter-tweeling, de voorboden van de
schaduw. Hun eigenschappen zijn jeugd en schoonheid.
Maruts. Zie 10.21.
7. Gudâkeśa. Zie 01.24.
8. Goddelijk oog. De goddelijke visie, een gave van God, dient om de schoonheid en de glorie van God’s Verheven
Personaliteit te zien. (Ramananda Prasad)
11. Commentaar. “Onderwerp uw ‘ik’ aan het Zelf.
14. Dhanajaya. Zie 02.48.
15. Nâga’s. Slangen der wijsheid, volledig ingewijden. De slang is in het Occultisme altijd gebruikt als het symbool
van onsterfelijkheid en wijsheid.
Rishis: wijzen, in het meervoud. Het zijn mensen tot volmaaktheid gekomen, en die beschikken over bijzondere
paranormale vermogens, zoals helderziendheid, helderhorend, enz.
Uragan: slangen of kosmische lichtkracht.
18. Dharma. Zie 02.40. Het Juiste Leer, of het Recht (Rechtvaardigheid). De Wet.
Puruşa. Het betekent zowel geest in algemene zin als het geestelijk deel van de mens.
Sanatana puruşa: de eeuwige god (mens), zuiver bewustzijn.
21. Sura’s. Een algemene term voor goden, zoals Deva’s.
Maharshi’s. Letterlijk: ‘Grote Wijzen’. In het bijzonder wordt hier verwezen naar de tien Maharshi’s die de ‘aan
de geest ontsproten’ zonen van Prajâpati waren en worden opgesomd als volgt: Marîchi, Atri, Angiras, Pulastya,
Pulaha, Kratu, Prachetas, Vasishta, Bhrigu en Nârada. Ze worden ook de tien Prajâpati’s genoemd. Soms wordt
ernaar verwezen als zijnde zeven in getal, zoals in 10.06.
Siddha’s. Een klasse van half-goddelijke wezens van grote zuiverheid en volmaaktheid. Ze worden voorgesteld
als de bezitters van de acht bovennatuurlijke vermogens (Siddhi’s).
Svasti. Een uitroep met de betekenis van ‘het gaat u goed’.
22. Sâdhya’s. ‘Goddekijke offers’. Een van de namen van de ‘twaalf grote goden’, welke door Brahmâ werden
geschapen.
Viśva’s. De zonen van Viśva, ‘de Aldoordringende’. Een klasse van goden.
Ûshmapâ’s. Een klasse van half-goddelijke wezens, welke in verband worden gebracht met de Pitri’s.
25. Kâla. De tijd, het lot, een cyclus en een naam van Yama, de koning der onderwereld en de rechter der doden.
33. Savyasâchin. ‘Dubbel gewapende’. Arjuna was een geweldige boogschutter die de hemelse boog zowel met de
rechter- als met de linkerhand kon spannen.
34. Jayadratha. ‘Bezitter van overwinnende wagens’. Een prins van de Chandravanśa, de maan-dynastie.
35. Kirîtin. ‘Hij met de schitterende diadeem’. (Arjuna)
36. Hrishîkeśa. ‘Meester over de zinnen’. Een naam voor de Heer Kŗşna en Vishnu.
39. Vâyu. Zie 10.31 – Pavana.
Yama. Zie 10.29.
Agni. De god van het vuur; een van de meest belangrijke Vedische goden, waaraan het grootste aantal hymnen
is gewijd. Hij heerst voornamelijk over de aarde en wordt beschouwd als de middelaar tussen de mensen en de
goden. Metafysisch is Agni de goddelijke essentie in elk atoom in het universum, het Hemelse Vuur, en daarom
wordt Agni vaak gebruikt als synoniem voor de Âditya’s. (Zie 10.21)
Varuna. Zie 10.29.
Śaśanka. De Maan.
Prajâpati. Zie 03.10.
41. Yâdava. Een afstammeling van Yadu; van het grote ras waarin de Heer Kŗşna werd geboren. Het Yâdava-
geslacht stierf met de Heer Kŗşna uit.
48-53. Overweging rondom vers 48. Alle uiterlijke hulpmiddelen falen bij het proberen het bewustzijn te verruimen,
indien het denken niet wordt veranderd. Door het bewustzijn te richten op de spirituele achtergrond van het leven,
het hoger Zelf, kan een universele visie ontwikkeld worden.
54. Commentaar. Geloven in iemand, is ook vertrouwen in de persoon. Toewijding betekent totale overgave.