HOOFDSTUK 13

0. Prakriti en Puruşa, Kshetra en Kshetrajna, kennis en het onderzoek van kennis, deze, O Keśava; zou ik willen ter
kennis gebracht worden.
Sommige uitgaven van de Bhagavad Gîtâ kennen dit vers niet. Waarschijnlijk werd het weggelaten om het
traditionele aantal van 700 verzen niet te verstoren. In navolging van S. Radkakrishnan wordt het hier
ongenummerd opgenomen.
Prakriti. Van pra, ‘bevorderen’ en kri, ‘handelen’. In het algemeen de Natuur. Door Prakriti werkt Puruşa. Door de
prikkeling van Puruşa brengt Prakriti de materie voort. Zie 09.07.
Kshetrajna. De wederbelichamende ego in de menselijke constitutie, Buddhi-Manas.
Kshetra. Het veld van handeling en waarneming voor de ‘kenner’, het bewustzijn. Zie 01.01.
1. Commentaar. Er bestaat ook een inleidende vers die in sommige uitgaven zoals in de onze wordt weggelaten, en
het luidt als volgt: “Materie en geest, het veld en de Kenner van het veld, kennis en dat wat geweten moet worden,
dit zou ik graag willen vernemen, O Heer Krishna.” De verdeling in drie: kennis, de kenner, en het kennen, hoort
tot de wereld van het betrekkelijke, het vergankelijke.

Dr. Ramananda Prasad: wat alhier in het lichaam gevonden wordt, is ook in de kosmos; wat ginder is, hetzelfde is ook
hier (KaU4.10). Het menselijk lichaam, de microkosmos, is een kopie van het universum, de macrokosmos. Het
lichaam wordt het terrein van de activiteiten van de ziel genoemd. Het lichaam of de schepping is anders dan de ziel,
of de schepper. Om het verschil te weten, dient men de metafysische kennis te verkennen, zoals in huidige hoofdstuk
aangehaald.
4. Commentaar. De Gîtâ verklaart daarbij de waarheden van andere gewijde schrifturen. Alle schrifturen zowel als
deze van heiligen en wijzen van alle godsdiensten, putten het water der waarheid van dezelfde oceaan van de Geest.
Hun uitdrukking kan verschillen volgens de noden van het individu en de contemporaine maatschappij. (Dr.
Ramananda Prasad)
5. Ahankâra. Zie 07.04.
Buddhi. Zie 02.49; 06.07; 06.21.
7-8. Eerbied voor de leraar (Goeroe). (A) Men moet zich van leraars (goeroes) behoeden die erop aanspraak maken
bepaalde meesters, adepten of ingewijden te zijn. Een ware leraar blijft zoveel mogelijk verborgen, daar alleen wat de
Waarheid is, is belangrijk. Bovendien, wat de leraar zelf door de harde ervaring heeft geleerd is voor de leerling
nuttig. Toch, moet worden opgelet, daar tegenwoordig veel onjuiste leringen zijn omtrent het denkvermogen en de
ziel. Vele onder hen laten het licht vallen op datgene, dat de objectieve vorm tot stand zal brengen, welke vorm door
henzelf van hoedanigheden wordt voorzien. Zij versterken hun eigen doel in die van de denkenden, om hun eigen
zinnen ten uitvoer te brengen. Het is dus op te letten, maar men moet ook niet veralgemenen. Het staat ieder
leerling vrij over deze punten na te denken, om nutteloze speculaties van leraars en goeroes achterwege te laten.
Sluiten we ons gewoon bij de Bhagavad Gîtâ aan (4.6): “Hoewel Ik ongeboren ben en Mijn bovenzinnelijk lichaam
nooit vergaat en hoewel Ik de Heer van alle geboren wezens ben, verschijn Ik in ieder tijdvak in Mijn oorspronkelijke
bovennatuurlijke kracht (Maya).” Het gaat om zelf te discrimineren wat voor ons goed of slecht is,  en door wie we
precies worden aangesproken en waarom, we hebben daarvoor onze eigen onderscheidingsvermogen. (Ph. De Coster)
Bijvoorbeeld: de goeroe die beweert door de Verhevene Heer zelf een openbaring te hebben ontvangen, mag niet voor
waar genomen worden.
(B) Vers 13.08 van de Gîtâ vormt het beginsel van het Boeddhisme. De voortdurende contemplatie en begrip van
agonie en lijden bij de geboorte, ouderdom, ziekte, en de dood worden in het Boeddhisme het begrip van de
Viervoudige Edele  Waarheid genoemd. Een duidelijk begrip van deze waarheid is nodig om de spirituele reis te
ondernemen. Afgunst en ontevredenheid tegenover de onzin en de irrealiteit met de daarbij verbonden objectieven
zijn het nodige voorspel om met de spirituele reis te beginnen. Zoals de vogels wanneer ze moe zijn op een boom
onderdak vinden; zoekt de mens eveneens goddelijke bescherming nadat ze de frustratie en het sombere van het
materialisme ontdekt hebben. (Dr. Ramananda Prasad)
9. Commentaar. De afwezigheid van aanhankelijkheid ten opzichte van zoon, vrouw of huis wil niet zeggen dat
bestaande relaties moeten worden verbroken of veronachtzaamd. Veeleer moet gedacht worden aan een houding
waarin men de bestaande relaties op een zodanige afstandelijke wijze kan beoordelen dat fouten of onvolkomenheden
op dezelfde kritische wijze worden benaderd als ten opzichte van anderen wordt gedaan.
10. Commentaar. Bij het vermijden van volksmenigten wordt voorkomen dat beïnvloeding door het magnetisme van
de massa ontstaat. Men vrijwaart zich voor de mogelijkheid op te gaan in massapsychose.
11. Adhyâtman. Zie 07.29.
13. TAT. Zie 02.17.
13-14. Commentaar.Deze twee verzen lijken met elkaar in tegenspraak. De grondgedachte is dat Tat – het Ene
Universele Beginsel, het Grenzenloze – geen eigenschappen in het bijzonder kan bezitten, omdat er dan geen sprake
kan zijn van grenzenloosheid. Maar dat het Grenzenloze ALLES is, “woont” Het zowel in de gemanifesteerde wereld
als in al wat buiten de zintuiglijke waarneming valt. Lao Tze zegt in de Tao Teh King als volgt: “Kon TAO genoemd
worden, dan zou het het eeuwige TAO niet zijn. Als niet-Zijn kan men het noemen het begin van hemel en aarde; als
Zijn kan men het noemen de moeder aller dingen. TAO is ledig en toch zijn zijn werkzaamheden onuitputtelijk.”
     Guna’s. Geaardeheden. De drie geaardheden. Zie hoofdstukken 14 en 18.
19. Prakriti. Zie 09.07 en 13. (1) De stoffelijke of materiële natuur (apara-prakrti). (2) De levende wezens (para-
prakrti). De naam “prakriti” is afgeleid uit de functie ervan als de materiële oorzaak van de eerste evolutie van het
heelal. Men kan zeggen dat de naam is samengesteld uit twee woordkernen, namelijk “pra”, het openbare, en
“krita”, het maken, en er wordt dus datgene ermee bedoeld wat de oorzaak was waardoor het heelal zich ging
openbaren.
     Puruşa of Purusha. Zie 08.04. Het geestelijk zelf. Het belichaamde zelf. Het woord betekent letterlijk “De
bewoner van de stad” of wel de bewoner van het lichaam. “Pura” komt uit het Sanskriet en betekent stad of lichaam,
terwijl “usha” een afleiding is van het werkwoord “vas”, wonen. (Dit werd in vroegere hoofdstukken aangehaald.)
Feitelijk kan “Purusha” van beide, bewustzijn en materie zijn, of Purusha en Prakriti in de verzen  19 en 20, worden
gezien, daar de aanwezigheid van beide noodzakelijk is, opdat het functioneert. Als het een gevorderde yogi betreft,
kan de “geest” ervaring zich telkens weer herhalen en dan gaat hij van het ene gebied naar het andere over, totdat
hij de laatste sprong doet van het ijlste gebied (het Atmische gebied) naar de Werkelijkheid zelf – het bewustzijn van
Purusha. Als dus het lagere denken geheel en al opgaat in het object in Nirvitarka Samadhi dan is het Purusha,
werkend in Zijn hogere beginselen, die alles onder Zijn hoede heeft en die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de
voortdurende en tere transformaties die plaats vinden in de verdere stadie van Samadhi. Purusha dient beschouwd te
worden als degene, die leiding geeft aan de evolutie.
22. Maheśvara. Letterlijk: ‘Grote Heer’. Van mahâ, ‘groot’ en îśvara, ‘heer’, ‘meester’. Zie 28. Een titel die ook aan
Śiva wordt gegeven.
24. Commentaar. Vergelijken de verzen 2, 12, 22, 30 en 31 van dit hoofdstuk. Parameshvara schijnt hier te
betekenen: Brahman of Paramatma, d.w.z. Purusha plus Prakriti (zie voetnoot 8), het Zelf plus het immer-
veranderde, het Ene en het Andere, de Al-Ene in Zijn schepping.
25-26. Commentaar. Het overwinnen van de dood houdt daarbij in het zich bevrijden van steeds terugkerende
geboorten. De attractie die het gemanifesteerde bestaan op het bewustzijn uitoefent, doordat aan de uiterlijke wereld,
Mâyâ, werkelijkheid wordt toegekend, is de oorzaak van reïncarnatie. “De vereniging van Kshetra en Kshetrajna”
betekent het zich verbinden van het bewustzijn met de manifestatie. Het objectief idealisme stelt dat een zaak slechts
in zoverre werkelijk is als enig waarnemend bewustzijn er werkelijkheid aan toekent.
     Bharatarshabha. Zie 08.23.
27. Parameśvara. Letterlijk: ‘Allerhoogste Heer’.
28. Commentaar. Het ‘beschadigen van het Zelf” betekent het verwringen van de zuivere stroom van bewustzijn tot
een persoonlijke opvatting over de waargenomen dingen. Naarmate men zich bewust wordt van de fundamentele
éénheid van al het bestaande, zal de stroom van bewustzijn vrijer kunnen vloeien.
     Îśvara.  De verpersoonlijking van de godheid, de Logos.
29. Prakriti. Zie 09.07 en 13.
31. Paramâtman. Zie 06.07. Samengesteld uit para (hoogste) en âtman (ziel), de term wordt soms vertaald met
‘superziel’.
32. Âkâśa. Zie 07.04 en 09.06.
33. Kshetrin. De verzorger of onderhouder van Kshetra.