HOOFDSTUK 14
3 en 4. Commentaar. De verzen 3 en 4 tezamen anders gelezen: “O Arjuna, voor Mij is de schoot de algemene
materie, waaraan Ik het zaad schenk: daarin ligt het ontstaan van alle schepselen. O Arjuna, van de levensvormen
die in alle schoten tot aanzijn komen is de materie de oerschoot en ben Ik de zaadgevende Vader.” Bij de schepping
verkrijgt de individuele ziel (jivatma) een gewaad, ontstaan uit prakriti, gevormd door de drie gunas en geweven uit
draden der subtiele verlangens (vasanas). Vasanas zijn er geweest van den beginne, want in ieder mens is het
verlangen om te leven onverwoestbaar aanwezig van in het begin; subtiele verlangens (vasanas) zijn de grondslag van
het bestaan in deze wereld. Jivatma: de individuele ziel, de microkosmos, die in het aardse bestaan evolueert totdat
hij volmaakt is geworden. Gunas: Een der drie geaardheden der materiële natuur – goedheid, hartstocht en inertie.
Anders uitgedrukt, de drie vibraties van de door puruşa, belevendigde prakriti of materie, (weerspiegeling van Sat-
Chit-Ananda); ze vormen de basis van het gemanifesteerde heelal. Vasanas: Potentiële begeerte, tendens
(gebondenheid aan het rad van geboorte en dood veroorzakend “vasanas” vergezellen alle voertuigen van bewustzijn
en gradaties van citta (spiegel of scherm van het bewustzijn o.a.).
5. Guna’s. De Guna’s zijn in beginsel in alles aanwezig, hetgeen in het Christendom zoiets als de ‘erfzonde’ wordt
genoemd, maar hebben er weinig van begrepen. Zij werken in elk wezen naar zijn aard (Svabhâva), toch kunnen door
het menselijk bewustzijn gericht worden toegepast. De hier gegeven omschrijvingen, maar vooral de aanwijzingen in
hoofdstuk 18, geven duidelijk weer hoe de levenshouding dient te zijn van iemand die van de Guna’s bewust gebruik
wil maken. Ze houden echter tevens een waarschuwing in vanwege hun bindend karakter. Daarom is het beter ‘te
handelen omwille van de handeling zelf’ en de Guna’s het werk te laten doen. Zie verzen 19 en 20.
6. Anagha. ‘Zondeloze’.
Verzen 5 en 6. De verzen 5 en 6 anders vertaald: “O Arjuna, goedheid, hartstochtelijk streven en inertie – dat
zijn de leibanden ontwonden door de natuur: zij zijn het die de onvergankelijke ziel aan het lichaam binden. O
zondeloze Arjuna, van hen bindt de verlichtende en heilzame goedheid vanwege haar zuiverheid de ziel door
gehechtheid aan geluk en kennis.” Voor de spirituele zoekers zijn hartstochtelijk streven en inertie gemakkelijk te
herkennen en omzeilen. Maar de invloed van goedheid is moeilijk te onderscheiden omdat deze zo subtiel is. Geluk
en kennis zijn begeerlijk. En, zolang men ze wilt bezitten, is men aan de materie gebonden door haar subtielste
leibanden. Alleen indien men ze als een bijkomend iets beschouwd van zijn levensloutering, waarop men geen
aanspraak mag maken, en de blik vast op de Verhevene Heer gericht houdt, met de hoop Hem werkelijk te zullen
dienen, laat deze subtiele leiband los.
9. Geaardheden.
Sattva: De geaardheid goedheid van de materiële natuur. Ook, harmonie, evenwichtigheid inzicht; een van de drie
gunas, het vermogen om te zien, waar te nemen.
Rajas: Een van de gunas: goedheid, hartstocht en inertie.
Tamas: Een van de gunas, zoals traagheid, inertie, luiheid, vadsigheid, stabiliteit.
Commentaar door dr. Ramananda Prasad: de geaardheid der goedheid houdt de mens van zondige handelingen weg,
en leidt hen tot Zelfkennis en geluk, maar niet tot de verlossing. De geaardheid hartstocht schept Karmische
slavernij en houdt het individu op verdere afstand van de bevrijding. Deze mensen weten wat goede en slechte
handelingen zijn gebaseerd op godsdienstige princiepen, maar zijn onbekwaam deze te volgen daar hun sterke
zinnelijke lusten. De geaardheid der hartstocht behandelt de eigenlijke kennis van het Zelf en veroorzaakt het
experiment van pijn en de genoegens van het wereldse leven. Deze personen voelen zich sterk aangetrokken tot
rijkdom, macht, prestige, sensuele genoegens, en zijn zeer baatzuchtig en begerig. In de geaardheid onwetendheid is
men onbekwaam het werkelijke doel van het leven te herkennen, onbekwaam om tussen goed en kwaad onderscheid
te maken, en blijven zodoende met zondige en verboden activiteiten verbonden. Dergelijke persoon is lui,
gewelddadig, ontbreekt beredenering, en heeft voor geestelijke kennis geen interesse.
11. Commentaar. De zintuigen (neus, tong, ogen, huid, gemoed, en intellect) zijn de poorten tot Zelfkennis in het
lichaam. Het gemoed en het intellect komen bij de geaardheid goedheid te staan, en komt voor Zelfkennis receptief,
wanneer de zinnen door onbaatzuchtige dienstbewijs, discipline en geestelijk praktijken zijn gezuiverd. In vers 14.17
wordt aangehaald dat Zelfkennis opkomt wanneer het gemoed in de geaardheid goedheid sterk is gevestigd. Zoals
voorwerpen duidelijk in het licht te zien zijn, evenzo, de waarneming en het denken in een juiste perspectief;
schuwen de zintuigen datgene ongeschikt is; waarbij het gemoed geen plaats vindt voor sensuele plezier, zodra deze
verlicht wordt door de dageraad van het licht der Zelfkennis. (Dr. Ramananda Prasad)
18. Commentaar. Met andere woorden, “In goedheid gaat men opwaarts; in hartstocht blijft men in het midden; en
de onwetenden, aan de laagste leiband, gaan omlaag.” (14:18) “Gewesten” kunnen als ‘geestelijke niveaus” van het
hoogste naar het laagste worden beschouwd, in gebruik bij de apostel Paulus in zijn brief aan de Epheziërs (tenminste
in de Nederlandse Nieuwe Vertaling van de Bijbel): “Geestelijke zegen in de hemelse gewesten” (Eph. 1:3), (in
goedheid gaat men opwaarts); “want wij hebben niet geworsteld tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen
de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis” (Eph. 6:12a), (in hartstocht blijft men in het midden);
“tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Eph. 6:12b) (en de onwetenden, aan de laagste leiband, gaan
omlaag). ‘Opwaarts’ wordt veelal geïnterpreteerd naar de goden of totdat men de Nirvana heeft bereikt waar geen
terugkeer op aarde (noch in geboren worden en sterven) mogelijk is. ‘In het midden’ als ‘in de mensenwereld op
aarde’; of ‘omlaag’ zoals ‘naar de hel’ of naar het helse van het aardse leven, te vergelijken met de dierenwereld en
de planten. Naar deze drie niveaus of gewesten, wordt de kosmos in de Veda “de drie werelden genoemd. (Ph. De
Coster)
19. Commentaar. Andersom: “Als de ziener inziet, dat het slechts de hoedanigheden zijn, die werken, en als hij Dat
kent, dat boven de hoedanigheden uitgaat, gaat hij in Mij op.” (14.19) De ziel handelt niet materieel en is eveneens
aangegeven in de verzen 5.8 en 13.21.
22. Commentaar. Verlichting, streven en begoocheling zijn de effecten van de invloed der respectievelijk goedheid,
hartstocht en onwetendheid.
27. Dharma. Zie 02.40.
Commentaar. De Verhevene Wezen is de bron of de basis van de Geest. De Geest is een van de expansies van de
Verhevene Wezen. Het is de Geest (of de Verhevene Wezen) die het ganse Kosmische drama in beweging brengt en
alles ondersteunt. Daarom, wordt de Geest tevens de Verhevene Wezen of the Heer genoemd. Het is van betekenis
dat de Heer Krishna (of de Heer Kŗşna) nooit woorden zoals ‘aanbid de Verhevene God’ of ‘de Absolute is aan de
basis van alles” heeft aangehaald. In deze vers, en aldus verder in de Gîtâ, verklaart de Heer Krishna dat Hij de
Verhevene Geest is. Krishna wordt door de mensen op verschillende wijzen begrepen. Sommige commentatoren zien
in Krishna iemand anders dan God, anderen noemen Hen een “Hindoe God.” Nog anderen een politieker, een leraar,
de goddelijke geliefde, en een diplomaat. Voor de toegewijden, is Krishna de incarnatie van het Absolute, en het
voorwerp van liefde. De lezers zouden zich moeten tevreden stellen met het begrijpen en het in werking brengen van
Krishna’s leringen, zonder zich te bekommeren over de vraag wie Krishna was. (Dr. Ramananda Prasad)