HOOFDSTUK 15
1. Aśvattha. De ‘eeuwige-levende-vijgebooom’, ficus religiosa.
Chhanda’s. Heilige gezangen, verzen.
2. Commentaar. Het menselijk lichaam, het microkosmisch heelal of wereld, mag met een beginloze en eindeloze
boom vergeleken worden. Karma is het zaad, de ontelbare begeerten zijn de wortelen, de vijf grondelementen zijn de
hoofdtakken, en de tien organen der perceptie en handelen zijn de bijtakken. Drie geaardheden der materiële
natuur voorziet in de voeding, waarbij de zinnelijke genoegens de scheutjes zijn. Deze boom is steeds veranderlijk;
toch eeuwig zonder begin of einde. De mens die waarlijk deze wonderlijke boom begrijpt, zijn oorsprong (of wortel),
zijn natuur en werking, is in de ware zin van het woord de kenner van de Veda’s.
Twee aspecten van de Eeuwige Geest – de goddelijke Heerser en de gecontroleerde (levende entiteit, individuele ziel)
maken hun nesten en verblijven in dezelfde boom als deeluitmakend van het kosmische drama. Deugd en ondeugd
zijn de glorierijke bloemen; genoegens en pijn zijn de zoete en zure vruchten. De levende entiteit eet deze vruchten
in onwetendheid; terwijl de Heerser op de troon zit, observeert, en begeleidt de levende entiteiten. De levende
entiteiten zijn zoals mooie vogels met veelvuldige kleuren. Geen twee vogels gelijken op elkaar. De schepping is
gewoon mooi. En, de Schepper moet onbeschrijfelijk prachtig zijn. (Dr Ramananda Prasad)
3 en 4. Commentaar. De schepping is cyclisch, zonder begin of einde. Ze is steeds veranderlijk, en heeft geen
permanente bestaan noch een werkelijke vorm. Men moet het mes van de metafysische kennis slijpen op de steen
van de geestelijke praktijk; het gevoel der scheiding tussen de levende entiteit en de Heer wegnemen; opgewekt
deelnemen aan het drama des leven met de voorbijgaande schaduwen van geluk en verdriet vervaardigd; om in deze
wereld volledig bevrijdt van het ego en begeerten te leven. Wanneer de gehechtheden zijn getemperd, een houding
van heilige onverschil heeft tegenwoordig plaats genomen, als eerste vereiste voor geestelijke groei. (Dr Ramananda
Prasad)
De verzen 2 tot 4 op een andere manier gelezen: “Zijn takken verspreiden zich omlaag en omhoog, door met de
ontwikkelde leibanden der zinsobjecten als scheuten, en beneden strekken zich de wortels uit, die in de
mensenwereld tot baatzuchtig streven aanspoort. Begin, eind en vastheid van zijn vorm zijn in deze wereld
onwaarneembaar. Deze diepwortelende asvattha (Samsara) nu dient men om te hakken met de sterke bijl der
onthechting en zich vervolgens naar dat oord te begeven vanwaar degenen die het eenmaal hebben bereikt niet meer
terugkeren, en wel aldus: ‘Ik vind toevlucht in de Oerpersoon, aan wie deze aloude schepping is ontsproten.’
5. Adhyâtman. Zie 07.29
7. Jiva, Jivatma. “Eeuwig deeltje van Mijn Zelf” of, “individuele ziel”. Jiva: levend wezen, (bijzondere)
persoonlijkheid. Jivatma: individuele ziel, de microkosmos.
8. Iśvara. Zie 13.28.
13. Soma-sap: saprijke, waterige maan, de levenskracht.
14. Vaiśvânara. Vuur.
Prâna en Apâna. Elk van de zeven beginselen van de menselijke constitutie heeft zijn eigen bijzondere vitale of
levensstroom, die betrokken is bij de opbouw en het onderhouden ervan. De volledige verklaringen en
aanknopingspunten met betrekking tot deze ‘vitale stromingen’ worden geheim gehouden in verband met de
gevaren die aan het misbruik ervan verbonden zijn. De twee hogere ‘Vitale Ademen’ worden in het algemeen niet in
de esoterische literatuur besproken. De Hatha-Yoga, een van de lagere aspecten van de Yoga-training, behandelt
manieren en doeleinden van het beheersen van deze ‘ademen’; maar zonder een grotere kennis van de mysteries
van onze innerlijke natuur, zijn oefeningen van deze aard niet aan te bevelen en het wordt in feite afgeraden.
Apâna. Is die ‘vitale adem’ die het ‘afval’ uit de menselijke samenstelling verwijdert.
Samâna. Is die welke de spijsvertering en de assimilatieprocessen beheerst.
Vyâna. Bestuurt de circulaties in het lichaam en is dus dat wat scheidt en ontbindt en weerstand biedt aan de
destructieve elementen die altijd werkzaam zijn; het houdt het lichaam in conditie.
Prâna. Is de meest bekende en bestuurt de ademhaling. Het stelt ons in staat de vitale essenties op te nemen en
gassen die destructief voor het lichaam zijn uit te drijven.
Udâna. Is die vitale adem die de vitale stromen van het lichaam opwaarts stuwt naar hun bronnen, de hogere
centra van het hart en brein.
De vier soorten voedsel. Het verteren van voedsel is verbonden met de elementen: grof voedsel (aarde) door
kauwen, vloeibaar (water) door drinken, heet (vuur) door voelen en geurig (lucht) door opsnuiven.
15. Vedânta. Zie hoofdstuk 2.
16. Kûtastha. Filosofisch, houder van de hoogste positie. De oorspronkelijke goddelijkheid. Wordt ook als synoniem
gebruikt voor Iśvara, de goddelijk-geestelijke Monade. Het is ook het rotsvaste, dat wat als mysterie gehuld is in
Maya.
18. Purusottama. Verhevene Wezen, Persoon of Geest. (Zie ook 08.01)
20. Śâstra. Stelsel van leringen, heilige boeken.