HOOFDSTUK 16
De Goddelijke en de Demonische Aard. Goed en kwaad staan tegenover elkaar, en alles wat erbij hoort. Opgesomd in
hoofdstuk 16 wordt een reeks van de driften der bozen aangehaald, die meesleuren, binden en beknellen; en, een
reeks van de drijfveren der goeden, die vrij maken en vreugde scheppen. De verzen 7 tot en met 9 zijn een uitval
naar sceptici, rationalisten en materialisten; terwijl, de verzen 10 tot en met 21 zijn vol omslachtigheid en laten aan
duidelijkheid niets te wensen over. De verzen 22 tot en met 24 concludeert, en zegt, “Houden jullie aan de regels der
plichten en geboden, om geleidelijk verheven te worden”.
1-3. Commentaar op deze verzen. Men mag niemand veroordelen en zichzelf aanbevelen (MB3.207.50). We moeten
anderen behandelen zoals we het voor ons voorhouden (MB 12.137.09). Een persoon van demonische aard moet op
een verschillende manier worden behandeld en begeleidt, tegenover een persoon met een goddelijke natuur (MB
12.109.30). We betalen steeds de prijs van iemand ander’s ontwikkeling, daar niemand volmaakt is. Spreken over de
tekortkomingen van anderen is de meest verachtelijke zonde. Zie andermans fouten niet, maar verbetert uw eigen
tekortkomingen totdat ge zelf aan de verlichting toe bent.
Men zou over andermans fouten en tekortkomingen niet mogen weerleggen, luisteren of er zelfs niet aan denken.
Wanneer men aan de gebreken van een andere denkt, wordt daarmee onze eigen denkvermogen bezoedeld. Er is
niets gewonnen andermans fouten te ontdekken; daarom, ontdekt uw eigen fouten en corrigeert ze. De onbeminde
beminnen, vriendelijk zijn tegenover de onvriendelijke, en genadig zijn tegenover de ongenadige is waarlijk
goddelijk. Er wordt gezegd dat men dient te verantwoorden voor hetgeen wij aan anderen doen.
Waarden kunnen ook voor problemen zorgen, indien men vergeet dat anderen ook verschillende waarden hebben,
daar mijn waarden verschillend zijn van de uwe. Waardenstrijd tussen individuen maken relaties kapot. Dikwijls
twee waarden bij dezelfde persoon in praktijk gebracht, schept ook zijn moeilijkheden. Bijvoorbeeld, indien een
leugen een waardevolle leven kan redden, zou men de waarheid niet mogen vertellen. Men mag zich blindelings niet
aan waarden hechten, daar waarden niet absoluut zijn. Men zou met idealen nooit mogen spotten, noch anderen naar
onze eigen standaarden oordelen, daar de schepper’s plan eenheid in verscheidenheid is.
De wereld wordt door allerlei mensen gemaakt. Men wenst anderen te veranderen om zelf vrij te zijn, maar zo werkt
het eigenlijk niet. Indien men anderen volledig en onvoorwaardelijk aanvaarden, dan pas kan men vrij zijn. Mensen
zijn wat ze zijn, daar ze hun eigen achtergrond bezitten, en kunnen gewoon anders niet zijn. (Swami Dagananda)
Men kan een echtgenoot(e) beminnen, terwijl men de manier van zijn of haar handelen niet aanvaarden. Uw vijand
kan uw vriend worden, indien u hem of haar aanvaardt zoals ze zijn. Indien ge een vijand wenst te maken, tracht
deze te veranderen. Mensen veranderen ‘kan’ wanneer ze tot bewustheid komen dat lijden moeilijker is dan
veranderen. Niemand is bevoegd om iemand’s leven, denken en idealen ongeschikt te verklaren. Evolutie op de
ladder van de volmaaktheid is een trage en moeilijke ontwikkeling. Het is niet gemakkelijk om zich van Karmische
afdrukken te ontdoen, terwijl men toch echt moet proberen. De verandering neemt door eigen kracht plaats, en
wanneer de tijd van God’s genade is aangebroken, en geen dag vroeger. Tevens, de manifestatie der oorspronkelijke
energie, het bewustzijn, varieert volgens de wezens. Daarom, zoekt om verzoening met alles in het universum, en
alles wordt uw vriend. Ramakrishna zei: wanneer de dageraad van het goddelijke is aangebroken, menselijke
zwakheid verdwijnt uit eigen beweging, zoals de pedalen van een bloem afvallen om de vrucht te laten ontwikkelen.
Stervelingen zijn hulpeloos gebonden, zoals de koeien door de koord van hun verborgen begeerten die uit hun
Karmische afdrukken voorkomen. De koord kan enkel worden doorgesneden indien we het mes van het intellect
gebruiken door God aan ons geschonken, en niet aan de dieren. De tijger is instinctief geneigd om te doden, terwijl
niemand er iets kan aan veranderen. De menselijke wezens kunnen door hun intellect en berederneringskracht
traag maar zeker de koord doorsnijden. In onwetendheid missen we de kracht van de beredenering en het gebruik
van het intellect. De vijand is niemand anders dan onze andere heft. Dikwijls komt het intellect in de greep van de
valse spelletjes der denkbeeldige energie (Maya), vóór het aanbreken van de dageraad der voorbestemde vijand. Men
moet het intellect gebruiken daar het een kostbare goddelijke gave is die aan de mens werd geschonken, om hen
toe te laten een situatie te analyseren. Er is geen enkel ander manier om uit het verdorven circuit van Maya te
geraken.
Er kan niets overkomen aan de mens die tegenover de andere een vreedzame houding heeft in gedachten, woord en
daad (VP1.19.05). Zelfs de gevaarlijke dieren doen geen kwaad aan hen die vreedzaam zijn in gedachte, woord en
daad (MB 12.175.27). Iemand die tegenover een wezen geen geweld uitoefent, bekomt wat hij wenst en boekt succes
zonder veel inspanning in al zijn geestelijke disciplines.
De hoge vorm van het leven gebruikt de lagere als voedsel der ondersteuning (MB 12.15.20). Het is onmogelijk om
vreedzaamheid in praktijk te brengen, of eender welke andere waarde in de echte zin van het woord.
Landbouwactiviteit betekent gewelddadigheid tegenover insecten en wormen. In de praktijk brengen van
vreedzaamheid tot al de schepselen zijn voor eigen ontwikkeling bedoeld op de ladder naar de volmaaktheid. Het is
vereist om de dag tot dag geweld in het praktisch leven tot een minimum te leiden. Het bereiken van een minimale
gewelddadigheid is natuurlijk zeer afhankelijk. Geweld mag voor persoonlijke doeleinden nooit gebruikt worden.
Het mag wel gebruikt worden om de zwakken te verdedigen, of om Dharma (Orde en Recht) te handhaven. (Dr.
Ramananda Prasad)
8. Aparasparasambluta. Letterlijk, ‘de een niet voortgebracht door de ander’ of ‘niet uit elkaar voortgekomen’.
Anderen vertalen het met ‘op elkaar volgend’, of ‘uit elkaar voortgekomen’, zoals oorzaak en gevolg; of ‘uit
begeerte voortgebracht door wederzijdse vereniging’, dat wil zeggen van man en vrouw.
16. Nâraka. Zie 01.42.
21. Drie poorten tot Nâraka. Zie 02.62-63. Gedurende ontelbare manifestaties heeft de goddelijke Monade vanuit het
niet-zelfbewuste bestaan het begin van zelfbewustzijn opgebouwd, zoals zich dit in de mens manifesteert.
‘Vernietiging van de ziel’ en het ‘verliezen van Buddhi’ betekent het terugvallen in de toestand van niet-zelfbewust
bestaan. Dat wil niet zeggen dat daarmede ook de goddelijke Monade verloren gaat. Deze is, zoals uit al het
precedent blijkt, onvergankelijk en onvernietigbaar, toch moet opnieuw aan de langdurige opbouw van zelfbewustzijn
beginnen. Het Hoogste Pad (22-23) wordt bereikt, indien men zich duurzaam van de innerlijke goddelijkheid bewust
is.
24. Commentaar. Uiteindelijk ligt in geval van twijfel de beslissing vanzelfsprekend aan uw eigen Verheven Zelf en
uw gemoed (atma en buddhi) want de sastras zijn slechts product van het intellect.