HOOFDSTUK 18
1. Mahâvâho.’Machtige van Wapenen’.
Hrishîkeśa. Zie 11.36
Keśinisûdana. ‘Overwinnaar van Keśin’. Keśin is één van de Daitya’s (titanen) die in de vorm van een paard
Kŗşna in zijn jeugd aanviel. Zie 10.30.
Commentaar. Arjuna wilt klaarheid verkrijgen aangaande twee duidelijke onderscheidbare onderwerpen van de
Bhagavad Gîtâ, namelijk verzaking (tyaga) en de respectievelijke zelfverzaking (sannyasa). Daarom vraagt hij wat
deze twee begrippen inhouden. Over het algemeen aanvaardt men de visie van Sankara, dat tyaga, het opgeven van
dingen, het nalaten van handelingen, geschikt is voor karma-yogis, terwijl voor jnana-yogis de volledige zelfverzaking
(sannyasa) geboden is.
2. Commentaar. De Bhagavad Gîtâ onderstreept telkens weer dat activiteit omwille van het resultaat totaal verkeerd
is, en mag gewoon niet. Enkel ongehechte activiteiten verheffen ons tot geestelijke ontwikkeling, en dit zal later in
het hoofdstuk duidelijk worden. Er staan in de Vedische literatuur veel aanwijzingen aangaande het brengen van
offers, te beginnen met zichzelf, en voor verschillende andere doeleinden. Men kan offers brengen om iets te
bekomen, maar deze voor de loutering van het hart of voor geestelijke en innerlijke ontwikkeling hebben voorgang
en is prijswaardig.
Sannyâsa en Tyâga. Hier wordt een zelfde onderscheid gemaakt als in het Mahâyâna Boeddhisme tussen Pratyeka-
pad en het pad van Mededogen, respectievelijk leidende tot een Pratyeka-Boeddha en een Boeddha van Mededogen.
Het onderscheid is subtiel en voor Westerlingen moeilijk te begrijpen en heeft zelfs onder bestudeerders van de
Esoterische Wijsbegeerte tot diepgaande discussies geleid. De moeilijkheid komt duidelijk tot uitdrukking in de
vertalingen van S. Radhakrishnan en G. De Purucker, die beiden voor Sannyâsa het woord ‘renunciation” (verzaking)
gebruiken, maar voor Tyâga respectievelijk ‘relinguishment’ en ‘abandonment’. William Quan Judge omschrijft
Tyâga als ‘volslagen onverschilligheid voor het resultaat’, hetgeen het dichtst de betekenis van ‘abandonment’
benadert, waarbij Webster o.a. aantekent: “volledige onverschilligheid ten opzichte van hetgeen er gebeurt met dat,
wat opgegeven is”. De sleutel tot het vraagstuk kan echter gevonden worden in de betekenis van het woord Pratyeka
dat is samengesteld uit prati, ‘voor’, en eka, ‘een’. Het woord betekent derhalve ‘slechts voor één’. Degene die naar
bevrijding – Nirvâna, Moksha of Mukti – streeft met het doel deze slechts voor zichzelf te bereiken zonder zich te
bekommeren om de in slavernij en duisternis verkerende mede-pelgrims op het evolutionaire pad, wordt een
Pratyeka genoemd. Hij die naar bevrijding streeft met het doel daardoor beter in staat te zijn anderen de weg naar
bevrijding te wijzen, gaat het pad van Mededogen, hoewel daaraan toch nog een doelstelling verbonden is. De sleutel
tot het vraagstuk ligt in de verzen 5. 6, en 9 van dit hoofdstuk. Het verrichten van handelingen omdat ze gedaan
moeten worden, zonder acht te slaan op het resultaat en vrij van eigenbelang, betekent hetgeen in het Mahâyâna
Boeddhisme het beoefenen van Mededogen omwille van het Mededogen zelf wordt genoemd. Het is door ‘het verzaken
van Moksha’ dat de werkelijke Moksha wordt bereikt.
4. Bharatasattama. ‘Beste der Bharata’s’.
13-16. Commentaar. De zin van deze verzen is niet het geven van een analyse van activiteit. In het licht van het
gekozen uitgangspunt, dat alles bezield is – dat TAT, leven-bewustzijn, aan alle dingen ten grondslag ligt – betekent
het dat alle handelingen slechts door de samenwerking van bewuste wezens mogelijk is. Zie vers 20.
Buddhi: kennisneming, rede, inzicht.
17. ‘Ik-gerichtheid’. Egoïsme en egocentriciteit.
Volkeren. Bedoeld op het slagveld van Kurukshetra bijeenkomst. Men kan alleen in dit zuiver inzicht leven als
men zich totaal aan de Verhevene Wezen heeft overgegeven. Elke daad die men vanuit zulk inzicht verricht, ook die
van het doden in de strijd, is dan de Goddelijke Wil en volledig gerechtvaardigd.
18. Commentaar. De Heer Kŗşna volgt hier nog steeds de methode van het Vedisch analytische denken ‘sankhya’ van
waaruit ook in het tweede hoofdstuk het onderscheid tussen lichaam en ziel wordt behandeld en verder in het
dertiende hoofdstuk het onderscheid tussen natuur en wezen.
21. Commentaar. “De ketterij der afgescheidenheid” van het Boeddhisme. Deze ‘kennis’ leidt tot de chaos, waarvan
het hedendaagse wereldbeeld de meest illustratieve openbaring is.
22. Commentaar. Beperkte doelstellingen, gericht op een fractie van het totale leven, hoe idealistisch deze op zichzelf
ook mogen zijn, zijn geboren uit onwetendheid omtrent de oorzaken der dingen; houden zich slechts bezig met
symptomen en lossen niets op.
33. ‘De resolutie’, en verder commentaar. Vastberadenheid of standvastigheid. Vers naar R.P. geïnterpreteerd. Zijn
vertaling luidt: “The resolve by which one manipulates the functions of the mind, Prana (bioimpulses), and senses for
God-realization only; that resolve is in the mode of goodness, O Arjuna.” (18.33) De vers kan ook zo worden vertaald:
“O Arjuna, die standvastigheid welke onverbrekelijk is en geschraagd wordt met de yoga-beoefening verworven
evenwichtigheid, en zo de geest, het leven en de werking der zinnen beteugelt, is in de geaardheid goedheid.” (18.33)
41-48. Commentaar. Hier wordt duidelijk hoeveel de indeling in kasten in het huidige maatschappijbeeld – niet alleen
in Indië of in Hindoestaanse gemeenschappen – is gedegenereerd. Men behoort niet tot een bepaalde ‘stand’ door
geboorte of maatschappelijke positie, maar door de plichten die men heeft, geboren uit Karma en Svabhâva. En, men
kan zich slechts ‘geslaagd’ noemen in zoverre men ‘de eigen’ plicht – hoe onvolmaakt ook – vervult en die van een
ander aan die ander overlaat.
Verder commentaar in verband met vers 41. Men maakt niet deel uit van een bepaalde maatschappelijke rang of
kaste op grond van zijn geboorte in een bepaald milieu, maar op grond van zijn wezenlijke eigenschappen. Un India
noemt drie percent van de Hindoebevolking zich brahmaan, terwijl er volgens Vedische bronnen naar goddelijke
ordening in normale omstandigheden niet meer dan één promille van de bevolking Brahmanen (priesters) kan zijn:
op duizend mensen is er één brahmaan en zijn er negen kshatriya’s (beschermers), negentig vaisya’s (meesters) en
negenhonderd sudra’s (knechten of dienaren).
50-56. Commentaar. Dit geldt uiteraard voor allen, zonder onderscheid van rang, stand, geloof, nationaliteit, ras of
huidskleur. Het doordringen van de mensheid van dit uitzicht is belangrijker dan wat ook.
Vers 50. De Heer Kŗşna beschrijft Arjuna hoe hij het hoogste niveau van volmaaktheid kan bereiken door zich
gewoon aan zijn geëigende taak te houden en deze te verrichten omwille van de Verhevene Wezen. Men bereikt het
Brahman-niveau door gewoon de vruchten van zijn werk te wijden aan de voldoening van de Verhevene Heer.
Vers 53. Tot hier heeft de Verhevene Heer bij wijze van nog eens herhalen namelijk de lering van het eerste deel
van de Bhagavad Gîtâ, in het kort de weg naar de geestelijke volmaaktheid en wat er op volgt, beschreven. Vanaf hier
wijst Hij in het kort het onderricht door Brahman heen het peil der zelf-verwerkelijking, dat van brahma-bhuta
(uitleg verder), uiteindelijk de weg naar de Verhevene Woonst, waar door geboorte en dood geen terugkeur in het
materiële is. Brahma-bhuta: toestand waarin men bevrijd is van de materiële besmetting. Wie zich in deze toestand
bevindt is innerlijk gelukkig en stelt zich in ongehechte dienst van de Verhevene Heer.
58. Commentaar. Deze laatste woorden, “zult ge juist ‘dat’ hulpeloos verrichten wat ge uit misleiding niet wenst te
doen”, zijn geen dreigementen, maar de naakte waarheid. Weliswaar, kan een ziel die verloren gaat, en dat wilt
natuurlijk zeggen die terugvalt in lagere levensvormen, uiteindelijk opnieuw de mensengedaante ontvangen, om
opnieuw de kans te krijgen het Woord van de Verhevene te vernemen, maar laat door zijn ik-gerichtheid nogmaals de
boodschap voorbijgaan, om opnieuw te vallen en wederom verloren gaan, en wellicht verloren blijven.
61. Commentaar. Bedoeld, het rad van de wedergeboorte, waarin de ziel, gebonden door haar eigen gehechtheden, die
door de Verhevene worden opgewekt, van het ene omhulsel in het andere belandt.
63. Handel dan naar eigen keuze. Er zijn geen bindende voorschriften. De leer omtrent de te volgen wegen is gegeven,
evenzo de resultaten die bij het volgen van een bepaalde weg te verwachten zijn. De leerling op het innerlijke pad
dient zelf te bepalen welke weg hij kiest.
65. Commentaar. De eerste zin van dit vers, “Denk onafgebroken aan Mij” aan het einde van de tweede helft van de
Gîtâ, hetgeen de kernboodschap van de Verhevene verwoordt, is identiek aan de eerste zin van het laatste vers aan
het einde van de eerste helft van de Gîtâ (9.34). Het is voor de yogi’s een heel belangrijke vers, “Denk onafgebroken
aan Mij en wees Mij toegewijd”. De sleutel bij uitstek.
66. Commentaar. Verzaak alle andere plichten (dan die welke uit uw eigen Svabhâva voortkomen).
70. Commentaar. God en Zijn Woorden zijn één en hetzelfde. De studie van de Gîtâ evenaart de aanbidding van God.
Het leven in de moderne maatschappij is niets anders dan werk en houdt voor spiritualiteit geen ruimte. Swami
Haribar zei: “De dagelijkse studie van de Gîtâ verzen laadt de mentale batterijen op, en voegt betekenis aan de
triestige routine van het leven in deze moderne maatschappij. Voor studenten die het ernstig nemen, is de dagelijkse
studie van een hoofdstuk van de Gîtâ ten sterkste aanbevolen (of gedeelte ervan, bijvoorbeeld uit de bloemlezing
gevonden op pagina www.haguratelier.com/Geeta40.html (Dr. Ramananda Prasad)
71. Commentaar. Een samenvatting van de “Glorie der Gîtâ” zoals aangehaald in de schriften wordt hieronder in het
kort besproken. Het lezen van de “Glorie der Gîtâ” verwekt geloof en devotie in het hart als het essentiële om de
weldaden van de Gîtâ studie te oogsten.
Het einddoel der menselijke geboorte is om het gemoed en de zinnen te kunnen beheersen en dusdanig de
bestemming te bereiken. Een regelmatige studie van de Gîtâ is zeker een waardevolle hulp om het edele doel te
bereiken. Iemand die geregeld de Gîtâ bestudeerd wordt gelukkig, vredig, voorspoedig, en is bevrijdt van de slavernij
der Karma, alhoewel nog steeds met de wereldse plichten verbonden. De zonde kleurt hen niet die de Gîtâ regelmatig
bestuderen, zoals water een lotusblad niet bezoedelt. De Gîtâ is de beste woonst van de Heer Kŗşna. De geestelijke
kracht van de Heer verblijft in iedere vers van de Gîtâ. De Bhagavad Gîtâ is het stapelhuis van geestelijke kennis. De
Heer Zelf verklaarde deze verhevene wetenschap der Absolute die de essentie van alle schrifturen bevat voor de
welvaart van de mensheid. De ganse Upanishads zijn de koeien; Arjuna is het kalf; Krishna is de melker; de nectar
van de Gîtâ is de melk; en, de personen met gezuiverde intellecten zijn de drinkers. Men dient de andere schrifturen
niet te bestuderen indien hij of zij de Gîtâ ernstig gaan verdiepen, zich op de betekenis van de verzen beschouwen, en
haar leringen in het dagelijks leven in praktijk brengen.
De wereldse aangelegenheden beheerd door het eerste gebod van de Schepper – de leringen van onbaatzuchtige
dienstverlening zijn zo mooi in de Gîtâ uitgelegd. De heilige kennis om eigen werk te verrichten zonder daarvoor een
beloning te verwachten is volgens de oorspronkelijke leer datgene die alleen tot verlossing kan leiden. De Gîtâ is zoals
een boot als een middel om gemakkelijk de oceaan der transmigratie te doorkruisen, en bevrijding bereiken. Het
wordt gezegd dat telkens de Gîtâ wordt gezongen, of met liefde en devotie gelezen, de Heer Zichzelf tegenwoordig
maakt, om naar de toegewijden te luisteren en om Zich in hun gezelschap te verblijden. Zich naar een plaats begeven
waar de Gîtâ gewoonlijk wordt gezongen of gelezen, is vergelijkbaar met een bezoek aan een bedevaartplaats. De Heer
Zelf komt, bij het verlaten van het fysisch lichaam de toegewijde tegemoet om Zijn Verheven Woonst binnen te
treden, daar hij of zij de kennis van de Gîtâ in beschouwing bracht. De persoon die regelmatig de Gîtâ leest, in bijzijn
van anderen deze reciteert, of erna luistert en de heilige kennis van de Gîtâ beleeft, is zeker van de slavernij der
Karma verlost te zullen worden en Nirvana bereiken.
Alhoewel verbonden in de verwezenlijking van wereldse plichten, de persoon die trouw blijft in het bestuderen van de
Gîtâ wordt vrolijk, en vrij van Karmische slavernij. Goden, wijzen en grote zielen komen in bedevaart plaatsen waar
de Gîtâ is bewaard en gelezen. Moeilijkheden geraken vlug opgelost waar de Gîtâ is gereciteerd, en de Heer is
tegenwoordig waar het wordt gelezen, gehoord, onderwezen en beschouwd. Door het veelvuldig lezen van de Gîtâ
bekomt men zegen en bevrijding. De persoon die op het uur van sterven de leer van de Gîtâ in beschouwing brengt,
wordt van zonde bevrijdt en bekomt de verlossing. De Heer Krishna komt persoonlijk een dergelijke persoon
tegemoet om in Zijn Verhevene Woonst intrek te nemen – het hoogste transcendentale niveau van het bestaan.
De genade van de Gîtâ kan niet in woorden worden gebracht. Haar lering is eenvoudig, zowel als diepzinnig en
diepgaand. Nieuwe en diepere betekennissen worden aan de ernstige student van de Gîtâ geopenbaard, terwijl de
lering steeds voor inspiratie zorgt. De belangstelling voor ernstige studie van de Gîtâ is niet tot ieder’s bereik, maar
pas voor de personen met een goede Karma. Men zou de studie van de Gîtâ heel ernstig moeten aanpakken.
De Gîtâ is het hart, de ziel, de adem, en de stemvorm van de Heer. Geen ascese, noch boete, offer, naastenliefde,
bedevaart, belofte, vasten, en zelfbeheersing, evenaart de studie van de Gîtâ. Voor gewone mensen zoals wij, zelfs
voor vooraanstaande wijzen en geleerden, is het moeilijk om de diepe en geheime betekenis van de Gîtâ te begrijpen.
Om de Gîtâ volledig te begrijpen is zoals een vis die de peilloze oceaan wilt doorkruisen, of een vogel die de hemel
probeert af te meten. De Gîtâ is de diepe oceaan van de kennis der Absolute, waarbij enkel de Heer een volledige
kennis ervan heeft. Niemand anders dan de Heer Krishna kan het gezag van de Gîtâ eigen maken. (Dr. Ramananda
Prasad)