HOOFDSTUK 2
Sânkhya. Eén van de zes Scholen van Wijsheid – Shad Darśana’s. Deze school werd ‘die der rekenaars’ genoemd,
omdat de aanhangers ervan mens en universum in 25 elementaire beginselen verdeelden, waarvan de 24
voertuiglijke of lichamelijke bestuurd worden door het ware Zelf (Purusha).
De zes scholen zijn te verdelen in drie paren die elk verband houden met een aspect van het menselijke bewustzijn:
ARAMBA (wetenschap)
|
NYÂYA
|
| |
VAIŚESHIKA
|
| |
|
PARINÂMA (filosofie)
|
YOGA
|
| |
SÂNKHYA
|
| |
|
VIVARTA (religie)
|
KLEINE VEDÂNTA
|
| |
GROTE VEDÂNTA
|
|
3. Parantapa. ‘Kastijder van vijanden’, bedoeld op Arjuna.
7. Zeg mij dit met zekerheid. Onderricht mij. De innerlijke strijd van de mens die naar spirituele bewustwording
streeft, brengt niet alleen een gevoel van machteloosheid en moedeloosheid, maar ook het verlangen naar
zekerheid omtrent de juiste weg mee. Doordat de persoonlijkheid gedurende vele levens werd opgebouwd, zijn
vermogens en karaktereigenschappen vertrouwde en bekende zaken geworden. In de Bhagavad-Gîtâ worden ze
voorgesteld als verwanten, bekenden en leraren. Vandaar dat Arjuna, het strijdende menselijke bewustzijn, in
onzekerheid verkeert over de rechtmatigheid van het doden van verwanten, leraren (goeroes), enzovoort’. De
moderne psychologie kent dit verschijnsel evenzeer door de ervaring dat het ‘onderdrukken van
karaktereigenschappen’ tot ernstige psychische spanningen leidt.
10. Bhârata. Afstammeling van Bharata, een naam die zowel van toepassing is op de Kuru’s als op de Pândavas. In
dit geval Dhrtarâstra. Algemene opmerking: Bharata (zonder ^) is het geslacht, terwijl Bhârata (met ^) is een lid
van het geslacht.
12. Nimmer was er een tijd waarin Ik niet bestond. De eerste stap tot het overwinnen van moedeloosheid is het
kiezen van een uitgangspunt. Hier wordt gekozen voor het spirituele in plaats van het materiële. Dit laatste is
vergankelijk en steeds wisselend; het spirituele is ‘het altijd blijvende’.
14. Kaunteya. ‘Zoon van Kunti’.
16. In de Geest (Zijn) is geen niet-Geest (niet-Zijn). Hoewel één Universeel Beginsel aan alles ten grondslag ligt,
onstaat in de manifestatie de dualiteit – geest en stof. De wordt voorgesteld als Zijn en niet-Zijn, het blijvende en
het vergankelijke.
17. TAT. Het Grenzenloze, het Al, het Oneindige Onuitsprekelijke Beginsel waaruit alles voortvloeit. Alle wezens
zijn ‘kinderen’ van TAT. Vandaar dat de devoot op het Pad wordt geleerd: Tat twam asi – Gij zijt het Grenzeloze.
22. De bewoner van het lichaam (de ziel). Het bewustzijn hult zich in gewaden van verschillende graad van
stoffelijkheid. Deze variëren van leven tot leven. Het bewustzijn zelf is onaantastbaar voor al die zaken die tot
bederf en vernietiging van de hulsels kunnen leiden.
26. Mahâvâho. ‘Machtige van Wapenen’.
31. Kshattriya. De kaste der regeerders, edelen en krijgslieden.
37. Kunti: geslachtsnaam van Prithâ, de zuster van Kŗşna’s vader, Vâsudeva, en de moeder van Arjuna.
39. Karma. Van de wortel kri, ‘handelen’. Staat in de Esoterische (Metafysische) Wijsbegeerte voor ‘de wet van
oorzaak en gevolg’.
40. Dharma. Van de wortel dhri, ‘vestigen’, ‘houden’. De wetmatigheid per se; ook plicht. Dharma is Waarheid,
de essentie van religie, filosofie en wetenschap. Dharma is de grondslag van de Boeddhistische ethiek, waarvan de
regels zijn: rechtvaardigheid, harmonie, billijkheid en deugdzaamheid.
41. Kurunandana. ‘Vreugde der Kuru’s’.
42. Veda’s. ‘Openbaring’. De Veda’s zijn de heilige schriften der Hindoes. Van de wortel vid, ‘weten’ of
‘goddelijke kennis’. De oudste en heiligste van de Sanskriet werken.
45. De drieërlei aard der stoffelijke natuur. Sattva, Rajas en Tamas. Deze worden in de hoofdstukken 14 en 18
uitgebreid behandeld.
46. Brahmana. Een lid van de hoogste der vier kasten. Oorspronkelijk behoorden daartoe slechts zij die
‘ingewijden’ waren. Het behoren tot een kaste door geboorte – zoals thans het geval is – is een degeneratie van
het oorspronkelijke onderscheid in menselijk bewustzijn.
48. Dhananjaya. ‘Winner van rijkdom’.
49. Buddhi-Yoga. Het zich verenigen met en het toepassen van het onderscheidingsvermogen.
Buddhi. Beginsel van verlichting. Van de wortel budh, ‘weten’ of ‘verlichting’.
1. Yoga. (Het streven naar) Eénwording.
1. Samâdhi. De hoogste Yoga-toestand of éénheid met de innerlijke god. De vereniging met Atmâ, het
Zelf. Yoga beoefenen betekent harmonie met de goddelijke wil. Contemplatie is ook Samâdhi.
2. Keśava. Kŗşna.
56. Muni. Wijze. In het bijzonder een die de belofte van zwijgzaamheid heeft afgelegd. Ook, de mens die éénheid
met zijn innerlijke god heeft bereikt.
72. Brahmanirvâna. Toestand van volmaakte verlichting door éénwording met het Universele Zelf.