HOOFDSTUK 3
Karma-Yoga. Eénwording door het juiste handelen. Het eerste der vier Yogapaden die geacht worden geschikt te zijn
voor elke der kasten (zie 9.32)
Karma-Yoga. Voor de Śûdra;
Bhakti-Yoga. Voor de Vaiśya;
Râja-Yoga. Voor de Kshattriya;
Jnâna-Yoga. Voor de Brâhmana (zie hoofdstuk 4)
Zie verder 18.41-44)
5. Geaardheden der stoffelijke natuur. Zie de hoofdstukken 14 en 18.
8. In de Bijbel, namelijk het Nieuwe Testament, wordt Gita 03.08 met de woorden van de apostel Paulus nogal sterk
uitgedrukt als volgt: “Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten” (2 Thessalonicenzen 3: 10b)
10. Prajâpati. ‘Heer der Voortbrenging’.
Prajâpati is een naam die aan Brahmâ wordt gegeven, de grote ontwikkelaar van het zonnestelsel. Er zijn vele
Prajâpati’s.
Kâmadhuk. Van kâma, ‘begeerte’ en dhenu, ‘melkkoe’: ‘Moeder Aarde’.
12. Een dief gelijk. Degene die uitsluitend handelt ten behoeve van eigen voordeel en niet de intentie heeft daardoor
bij te dragen tot het algemeen welzijn, onthoudt ‘de goden hun offer’. Het Heelal kan slechts bestaan en
functioneren door de onderlinge verbondenheid en samenwerking van alle wezens.Degene die zich daarvan afwendt,
leeft in het gevoel van afgescheidenheid, wat in het Boeddhisme wordt beschouwd als de ‘de grootste ketterij’.
15. Brahman. In de Metafysische (Esoterische) Wijsbegeerte wordt onderscheid gemaakt tussen Brahman of
Brahma, de onzijdige vorm, en Brahmâ, de mannelijke vorm. Brahman is de meest verheven Hiërarch of
Goddelijkheid van onze Kosmos; het Zelf van ons ‘eiland-universum (microkosmos) , of de Melkweg. Het aantal
Brahmans is even groot als er melkwegstelsels zijn. Brahmâ is het Zelf van het zonnestelsel. Het aantal Brahmâ’s is
even groot als er zonnestelsels zijn.
20. Janaka. Koning van de Mithilâ-dynastie. Hij werd door zijn goede werken en rechtvaardigheid een Brâhmana.
Hij was de vader van Sïtâ die ‘ontsprong aan een voor, welke hij met zijn ploeg had gemaakt’.
22. Driegebieden. Tri-loka of tri-bhuvana: Svarga, Bhûmi en Pâtâla. In de exoterische betekenis: hemel, aarde en
hel; esoterisch de geestelijke, psychische en aardse sfeer – ook in het menselijk bewustzijn.
26. Geen verwarring brengen. De wijze kent zijn verantwoordelijkheid en zorgt ervoor, dat hij slechts werkelijke
kennis overdraagt op een manier, die de onwetende niet tot verkeerde gevolgtrekkingen brengt. Daarom moet
hetgeen hij anderen onderwijst ook in zijn eigen daden tot uitdrukking komen. Zijn motto is: Iti mayâ śrutam –
Aldus heb ik gehoord.
33. Alle wezens volgen hun aard. Zonder onderscheid volgen alle wezens het in vele levens opgebouwde karakter.
Het onderdrukken van karaktereigenschappen baat niet; ze dienen overwonnen te worden door veredeling van het
karakter. Zelfs indien men daarbij ‘te gronde gaat’ (35), is dat beter, omdat wat daaruit geleerd wordt, bijdraagt tot
grotere vermogens in volgende levens. ‘De plicht van een ander is vol gevaar’, omdat daardoor aan het eigen
karakter vreemde elementen in het bewustzijn worden opgenomen, die tenslotte opnieuw herzien moeten worden.
(Zie ook 1.7-8).
36. Vârshneya. Zie 1.41.
37. Kâma. De kracht der begeerte. Deze is goed noch kwaad, maar ontleent het karakter aan de intentie der
begeerte. In dit geval aan:
Rajas. Een van de drie eigenschappen en wel de eigenschap ‘activiteit’. Zie de hoofdstukken 14 en 18.
40. Het zetelt in de zinnen en het denkvermogen. Niet ‘het vlees is zondig’. Het is de wijze waarop het
denkvermogen op de zintuiglijke waarneming reageert, die bepalend is.
42. Manas. Denkvermogen, denker. Van de wortel man, ‘denken’.
Sat. Het ware, de werkelijkheid.