HOOFDSTUK 4

1.  Jnâna-Yoga. Eénwording door beoefening van wijsheid.
2.  Vivasvat. ‘De briljante’. Een naam voor de zon. Ook de vader van Vaivasvata-Manu, de zevende Manu en
voorvader van het huidige vijfde wortelras. Vaivasvata-Manu overleefde ‘de zondvloed’ na het bouwen van een ark
in opdracht van Vishnu.
Manu. Van de wortel man, ‘denken’. Er zijn 14 Manu’s in een Manvantara of Dag van Brahmâ.
Ikshvâku. Zoon van Vaivasvata-Manu en ‘verwekker’ van het huidige ras.
Râjarshi’s. Koning-wijzen of Koning-adepten; een van de drie klassen van Rishi’s in India met dezelfde betekenis
als de Koning-hiërofanten van het oude Egypte.
4&5 Verzen 4 en 5. Vergelijk met Johannes 08.58 (Bijbel); ‘Vóór Abraham was, ben Ik”.
     1.        Mâyâ. Van de wortel ma, ‘meten’.
13. De vier kasten. Zie 01.43
16.  Handelen (Karma) en niet-handelen (Akarma). Niet-handelen heeft geen betrekking op het nalaten van een
handeling, daar dit nalaten evenzeer tot gevolgen leidt en derhalve ook handelen is. Er bestaat in beginsel geen
verschil tussen het verrichten van een handeling en het nalaten ervan. Niet-handelen wil zeggen dat men niet aan
het resultaat van het verrichten of nalaten van een handeling gebonden is, zodat dit voor degene die handelt geen
gevolgen heeft.
22.  Paren van tegenstellingen. Zie Plato’s Phaidoon (15), waarin wordt aangetoond dat de paren van tegenstellingen
niets anders zijn dan de toestanden waarin iets verkeert. Wie de toestanden van iets niet acht, maar zich geheel
richt op dat iets, verheft zich boven Mâyâ.
23.  Karma. Zie 02.39.
24.  Brahman. Zie 03.15.
29.  Prânâyâma. Het vierde Yoga-stadium. Van prâna, ‘adem’, en ‘âyâma’, ‘regelen’ of ‘beteugelen’. Wordt
voornamelijk toegepast door beoefenaars van Hatha-Yoga, zelden door beoefenaars van hogere Yoga-methoden. (Zie
08.10 en 15.14)
41.  Dhananjaya. Arjuna. Zie 02.48.
42.  Bhârata. Arjuna. Zie 02.14.