HOOFDSTUK 5

3. Nitya Sannyâsin. Nitya: voortdurend, standvastig. Sannyâsam: het verzaken van de wereld en stoffelijke zaken, en
het betreden van het pad dat tot mystieke kennis leidt. Dus: ‘iemand die met volharding streeft naar geestelijke
kennis en daarvan niet wordt afgeleid door uiterlijke zaken’.
13. De stad met negen poorten. Het stoffelijk lichaam. De negen poorten hebben betrekking op de openingen van het
lichaam, zoals oren, ogen, neus, mond, enz.
14. Svabhâva. Een samengesteld woord van de wortel bhû, ‘worden’ en sva, ‘zelf’. Letterlijk derhalve: ‘zelfwording’.
De betekenis ervan is dat elk wezen zijn eigen karakteristieke kenmerk tot uitdrukking brengt; zichzelf wordt. Dit
kenmerk komt tot stand door handelen en denken, waardoor leven na leven elk wezen een eigen karakter opbouwt,
dat van andere wezens verschillend is.
17. TAT. Het Grenzenloze, het Al, het Oneindige Onuitsprekelijke Beginsel waaruit alles voortvloeit. Alle wezens zijn
‘kinderen’ van TAT. Vandaar dat de devoot op het Pad wordt geleerd: Tat twam asi – U bent het Grenzeloze.
18. Brâhmana. Een lid van de hoogste der vier kasten. Oorspronkelijk behoorden daartoe slechts zij die ‘ingewijden’
waren. Het behoren tot een kaste door geboorte – zoals thans het geval is – is een degeneratie van het
oorspronkelijke onderscheid in menselijk bewustzijn.
21. Brahma-Yoga. Die vorm van streven naar éénwording die alle Yoga-paden omvat.
24. Brahmanirvâna. Toestand van volmaakte verlichting door éénwording met het Universele Zelf.