HOOFDSTUK 6
1. Sannyâsin. Of Sannyâsam: het verzaken van de wereld en stoffelijke zaken, en het betreden van het pad dat tot
mystieke kennis leidt. Dus: ‘iemand die met volharding streeft naar geestelijke kennis en daarvan niet wordt
afgeleid door uiterlijke zaken’. De Sannyâsin ontsteekt geen offervuur, brengt geen offerande en verricht geen
ceremoniën; maar het feit, dat iemand dit achterwege laat, stempelt hem nog niet tot een sannyâsin; zonder
waarachtige zelfverzaking is hij geen sannyâsin.
2. Sannyâsam. Zoals hierboven.
Sankalpa in sommige vertalingen, is het vermogen van de verbeeldingskracht, waarmee men de toekomst
uitbeeldt.
5 & 6 Vriend en vijand. De innerlijke spirituele natuur van de mens, het Zelf, is de vriend van de lagere natuur,
omdat deze zonder datgene, waaruit ze is voortgevloeid niet kan bestaan. Het Zelf is echter de vijand van diezelfde
lagere natuur, indien dit gericht is op de vergankelijke uiterlijke wereld, slechts persoonlijke doeleinden nastreeft
en leeft in het gevoel van afgescheidenheid.
Meditatie Technieken (Ramanand Prasad):
De plaats voor de meditatie zou de sereniteit, de eenzaamheid, en de geestelijke atmosfeer van reukvrije,
geluidsvrije, en lichtvrije ruimten van de Himalayas grotten mogen zijn. Massieve, kolossale gebouwen met
bijzondere uitgehouwen marmeren figuren van hemelse bewaarders zijn niet genoeg. Ze zijn dikwijls met de
spiritualiteit tegenstrijdig en helpen enkel godsdienstige commerciële doeleinden.
De acht meditatiestappen volgens Patanjali’s Yoga Sutra (PYS 2.29) zijn:
1. Zedelijk gedrag
2. Geestelijk praktijk
3. De gepaste houding en yogische oefeningen
4. Yogische ademhaling
5. Het terugtrekken van de gevoelens
6. Concentratie
7. Meditatie, en
8. Trance, of superbewuste staat van gevoel.
Men moet de acht stappen één voor één onder eigen leiding volgen om vooruitgang in de meditatie te boeken. Het
gebruik van ademhaling en concentratie technieken zonder de nodige zuivering van het gemoed, en zonder
sublimatie van de gevoelens en verlangens door moreel gedrag en geestelijke praktijken (zie 16.23) kan het
gemoed in gevaarlijke neurotische staten leiden. Patanjali zegt: Zit postuur voor meditatie moet stabiel, relaxerend
en comfortabel zijn voor het individuele fysisch lichaam (PYS 2.46).
Yogische ademhaling is niet de krachtdadige – dikwijls gevaarlijk ophouden van de adem in de longen zoals
gewoonlijk verkeerd begrepen en in praktijk gebracht. Patanjali definieert deze als de controle van de Prana – de
bio-impuls of de astrale levenskrachten – dat het ademhalingsproces veroorzaakt (PYS 2.49). Het is een
geleidelijke ontwikkeling van onder controle brengen of tot vertraging leiden – door het gebruik van yogische
standaard technieken zoals yogische houdingen, ademhalingsoefeningen, uitsluitingen, en bewegingen – van de bio-
impuls die de motor en de zintuiglijke zenuwen activeren om de ademhaling in regelmaat te brengen evenals
datgene buiten onze controle staat.
Wanneer het lichaam super gevuld is met het grote reservoir van de alomtegenwoordige kosmische stroom
doorheen de oblongata merg, de nood om te ademhalen is verminderd of zelfs verwijderd en waarbij de yogi de
ademloze trance staat behaalt, en dat is de laatste mijlsteen van de geestelijke tocht. De Upanishad zegt: “Geen
enkel sterveling leeft enkel met het ademhalen van zuurstof in de lucht. Ze zijn van iets anders afhankelijk. (KaU
5.05) Jezus zegt: “De mens zal bij brood (voedsel, water, en lucht) alleen niet leven, maar bij alle woord (of
kosmische energie), dat door den mond Gods uitgaat.” (Matth. 4.4) Het ademkoord houd de levende entiteit (ziel)
aan het lichaam-gemoed complex. Een yogi bevrijdt de ziel van het lichaam, en bindt ze met de Superziel tijdens de
ademloze “trance” staat.
Het intrekken van de gevoelens is voor de yogi een grote obstakel in het nakomen van zijn doel. Wanneer het
gevoel is onttrokken; concentratie, meditatie en Samadhi zijn zeer gemakkelijk te bereiken. Het gemoed zou
moeten gecontroleerd en opgeleid worden naar het intellect toe in plaats van langs de hoofdzintuigen zoals het
horen, voelen, zicht, smaak en reuk. Het gemoed is natuurlijke wijze onrustig. Het observeren van het natuurlijke
in- en uit gaan van de adem, en het alternatief ademen brengen het gemoed tot kalmte.
De twee meest gebruikte technieken om het gevoel te beheersen zijn:
1. Concentreer uw volle aandacht op één punt tussen de wenkbrauwen. Voorzie en verbreidt er een sfeer van
een draaiende wit licht.
2. Zingt zo spoedig mogelijk mentaal een mantra of een heilige naam van de Heer, en laat uw gemoed door het
geluid van het mentaal zingen doordringen, zodanig dat u het tikken van een dichtst bijgelegen klok niet meer
hoort. De snelheid en de geluidssterkte van het mentaal zingen moeten vermeerderd worden naargelang de
rusteloosheid van het gemoed, of omgekeerd.
Concentratie op een bijzonder aspect van een god, op het geluid van een mantra, op de gang van de ademhaling
naar verschillende energie centra in het lichaam, tussen de wenkbrauwen, op de top van de neus, en op een
ingebeelde karmozijn (rood) lotusbloem binnen de borst centrum, kalmeert het gemoed en schorst het zwerven.
7. Paramâtman. ‘Het Hoogste Zelf’. De Vader in de Hemel’; en, het Zelf van de Kosmos; Brahmaan.
Âtman de schakel met het Grenzenloze
Buddhi het verlichtingsbeginsel, geest
Manas het denkvermogen
Kâma het begeertebeginsel
Prâna het levensbeginsel
Linga-śarîra het model- of astraallichaam
Sthûla- śarîra het fysieke lichaam
Het woord Paramâtman is een samenstelling van parama, ‘verheven’ en âtman, ‘zelf’.
Ramanand Prasad: Een yogi zou op eender mooie vorm van God moeten beschouwen totdat de vorm in zijn gemoed
tegenwoordig is. Korte meditaties in volle concentratie zijn beter dan lange zonder concentratie. Het gemoed (de
geest) gefixeerd op één enkel voorwerp der contemplatie voor twaalf (12) seconden, twee minuten vijftig seconden
(2 1/2),en een half uur staan achtereenvolgens voor concentratie, meditatie, en trance. Meditatie begint wanneer
het gemoed ophoudt te oscilleren en is van het punt van concentratie verdwenen.
In het laagste stadium van de trance, wordt het gemoed zodanig gevestigd op een gedeelte van een godheid zoals
het gelaat, of de voeten dat al het overige is vergeten. Het is zoals een droom in een staat van “wakker zijn” (of
slaaploosheid toestand), welbewust van het gemoed, de gedachten, en omgeving. In een hoger trance-staat, verblijf
het lichaam stil en onbeweeglijk, en het gemoed experimenteert verschillende aspecten van de Waarheid. Het
gemoed verliest zijn individuele identiteit en wordt één met het kosmische onbewuste.
De superbewuste staat van gemoed is het hoogste trance etappe. In deze gemoedsstaat, wordt het gewone
menselijke bewustzijn doordrongen door het kosmische onbewustzijn; bereikt een gedachteloze, en polsslagloze,
ademloze staat, en ervaart niets anders dan vrede, blijdschap, en de hoogste zaligheidgeluk. In deze hoge trance
toestand verblijvend, wordt de energie centrum (Chakra) boven aan het hoofd (kruin) geopend, het gemoed
verzonken in het eeuwige; waar geen gemoed of gedachte meer is, maar het gevoel van Zijn transcendentale
bestaan, bewustheid, en zaligheidgeluk. Een persoon die deze staat heeft bereikt, wordt een wijze genoemd.
11. Kuśa. Een heilig gras dat door de asceten in India wordt gebruikt en dat ‘het gras van de gelukkige
voorspelling’ wordt genoemd. “Het is zeer occult”, verantwoordt Mevrouw H.P. Blavatsky.
12. Eenpuntig. Eenpuntig, ekagra, d.w.z. als hij in concentratie is.
13. Punt van de neus. Om door pranayama de in- en uitademing tot harmonie te brengen; dan de aandacht
vestigend op het voorhoofdcentrum, brengt hij denken en ademhalen tot harmonie. (Zie ook Gîtâ 04.29 en 05.27-
28).
14. Brahmachari. Iemand die zich aan de gelofte houdt van beheersing der zinnen, van het celibaat.
15. Nirvâna. Letterlijk: ‘uitgeblazen’. Het is een toestand van bewustzijn die wordt bereikt door de hoogste
Ingewijden, die verlichting hebben bereikt en wier bewustzijn in samenklank is met het Universum. Er zijn vele
graden van Nirvâna. Het ‘uitgeblazen’ zijn heeft betrekking op de lagere of persoonlijke natuur, die geen attractie
meer uitoefent op de Yogi.
21. Buddhi. “Rust vinden in Buddhi” betekent, dat de mens zich boven Manas, het denkvermogen heeft verheven
en “buiten het bereik der zinnen” is. Dat wil niet zeggen dat het denkvermogen niet meer werkzaam is, maar dat
het onder controle staat van het geestelijk beginsel, als instrument wordt gebruikt en geen eigen onafhankelijk
leven meer leidt. Ditzelfde geldt voor ‘de zinnen’. Zie 2.49 en 6.7.
24. Yogi:
1. Transcendentalist van de eerste, tweede of derde orde, respectievelijk bhakta, yogi en jnani, of anders
aangeduid: bhakta, paramatmavadi en brahmavadi.
2. Transcendentalist van het tweede plan, bedreven in astanga-yoga of een der hiermee verwante yoga’s.
3. Yoga-beoefenaar in meest algemene zin.
Ook, naam van Krishna, de allerhoogste Yogi.
27. Brahman. Zie 3.15. Anders bekeken, het onpersoonlijke Absolute; een thesis in de Advaita-vedanta.
30. De Eeuwige Wezen (Brahma). ‘Ik’, ‘Mij’, ‘het Zelf’ in dit verband en in de volgende verzen is het universele
Zelf, het Eeuwige Brahma. Vergelijkt Gîtâ 03.30 en 04.11, 13, 14.
33. Madhusûdana. Zie 1.35. Een naam van Kŗşna – doder van de demon Madhu.
38. Gescheiden van deze beide. Dat wil zeggen: gescheiden van het goede Karma, van goede daden en spirituele
kennis, verworven door het beoefenen van Yoga. Ook, deze wereld waaruit hij na zijn dood verdwijnt; en de andere
wereld, die voor hem gesloten blijft, doordat hij te kort geschoten is.
Zonder steun. Dit heeft betrekking op de beloften in de Brahmaanse wet aan degenen die zich daaraan houden.
41. De sferen der rechtvaardigen. In de Esoterische Wijsbegeerte ‘Devachan’; een samengesteld woord uit het
Sanskriet en Tibetaans, dat letterlijk ‘plaats of wereld der goden’ betekent. Devachan is een toestand van
bewustzijn, waarin de Reïncarnerende Ego verkeert na het verlaten van het lichaam bij de dood en na de scheiding
van de hogere en lagere beginselen in de astrale werelden Kâma-loka.