HOOFDSTUK 7
2. Jnana: (letterlijke kennis) Geestelijke kennis, of kennis waardoor men in staat is onderscheid te maken tussen
het stoffelijk lichaam en de geestelijke ziel.
Vijnana: (1) Kennis aangaande de ziel, haar wezenlijke natuur en de eeuwige band die haar met God verbindt. (2)
Toegepaste kennis.
4. Aarde, water, vuur, lucht, ether. De vijf elementen, alsmede Manas en Buddhi, worden hier gebruikt in hun
betekenis van beginselen of essenties van de Kosmos. Er worden zeven Tattva’s of elementen onderscheiden:
Âdi - het Ene
Anupapâdaka - het Ouderloze
Âkâśa - ether
Taijasa of Tejas - vuur
Vâyu - lucht
Âpas - water
Prithivî - aarde
Dat in dit verband moet worden gedacht aan instrumenten van bewustzijn en beginselen van manifestatie wordt
duidelijk door de toevoeging van het achtste element:
Ahankâra. Met de betekenis van egoïsch bewustzijn of ik-ben-ik, leidende tot het gevoel van afgescheidenheid.
Vandaar “de achtvoudige verdeling van Mijn (lagere) Natuur”.
Manas. Het denkvermogen, het mentaal vermogen; datgene wat de mens onderscheidt van het dier. Het is het
beginsel van individualiteit; datgene waardoor de mens in staat wordt gesteld te begrijpen dat hij bestaat, voelt en
ondervindt.
Siddhi: Psychische of occulte kracht.
Tattvatah: De Absolute Waarheid in haar drie verschillende aspecten. (Let op de Christelijke leer van de
goddelijke drievuldigheid.)
6. Ik ben de Oorzaak. In de cyclische beweging van het verschijnen en verdwijnen van werelden, mensen en
dingen is het steeds het spirituele bewustzijn dat zich belichaamt, gedurende enige tijd de manifestatie onderhoudt
en zich terugtrekt, waarop het ‘Heelal’, de tijdelijke manifestatie, wordt ontbonden.
Purusha: Letterlijk, het mannelijke princiep: (1) Met betrekking tot Krishna: ook genaamde de “allerhoogste
genieter”. (2) Het levend wezen dat van het stoffelijk bestaan tracht te genieten. Het heeft eveneens betrekking op
de Absolute Waarheid in Haar uiteindelijke, persoonlijke gedaante. (3) Het geestelijk of belichaamde zelf. Het
woord betekent letterlijk, “De bewoner van de stad” ofwel de bewoner van het lichaam. “Pura” komt
vanzelfsprekend uit het Sanskriet en betekent stad of lichaam, terwijl “usha” een afleiding is van het werkwoord
“vas”, wonen.
10. Buddhi (verstand). De Universele Ziel of het Universeel Denkvermogen. Het is de geestelijke ziel in de mens en
bijgevolg het voertuig van Atma, de Geest.
11. Dharma. Zie 02.40. Letterlijk betekent dit woord ‘wat bijeenhoudt’, maar het aantal betekenissen waarin het
woord wordt gebruikt is te groot om hier te vermelden. De betekenis is ook, “het juiste leer”. Dharma: (1)
“Religie” – de natuurlijke en eeuwige functie van het levend wezen: het naleven van de natuurwetten die door God
zijn ingesteld en Hem met liefde en toewijding dienen. (2) Andere naam voor de verschillende religieuze,
filosofische, maatschappelijke en persoonlijke plichten van de mens.
13. De drie Guna’s. Zie 02.45, 03.37, en de hoofdstukken 14 en 18. De drie eigenschappen of attributen van
prakriti: sattva, rajas en tamas.
Prakriti. Stof in een ongedifferentieerde vorm, te onderscheiden van mûlaprakriti doordat prakriti de guna’s
(eigenschappen) reeds werkzaam zijn.
Sattva. Goedheid, helend, opbouwend.
Rajas. Lust, drift, beweging.
Tamas. Inertie, duisternis, blokkerend.
14. Mâyâ. Zie 04.06 Illusie, schijn, maar symbool voor vele zaken.
15. Asura. Wezens met goddelijke krachten. Vaak foutief vertaald met ‘antigod’ (duistere goden).
Hoogstwaarschijnlijk bestaat er een etymologisch verband met ‘Ahura (Mazda)’ uit het Zoroastrisme. Asuras:
Ieder die zich niet aan de regels van de Schriften houdt en diens enige levensdoel bestaat voortdurend van wereldse
zaken te genieten. Hoe meer hij zich hecht aan de materie, hoe demonisch hij wordt en hoe heviger hij het bestaan
van de Allerhoogste ontkent.
19. Vâsudeva. De vader van Krishna. De innerlijke god.
Mahâtman. Van mahâ, ‘groot’, en âtman, ‘zelf’. Wordt toegepast als een titel voor mensen met uitzonderlijke
kwaliteiten.
21. Devata. Een goddelijk wezen met een engel vergelijkbaar. Deugdbaar wezen, dienaar van de Verhevene. Levend
wezen, dar door de Verhevene begiftigd is met de macht om een gedeelte van het universum te besturen, zoals zon,
regen, vuur, enz, en tevens te waken over het welzijn van alle levende wezens. Het gaat hier dus om een halfgod.
De halfgoden (Deva’s) bestaan ook in het Christendom (uitgezonderd bij de Reformatorische Christenen), ze
worden “heiligen” genoemd. Het zijn gelovige overledenen die een onwankelbare levenswandel hebben gehad,
goede en uitzonderlijke daden hebben gedaan, en die door kerkelijke instanties na vrij lange procedure eerst zalig
dan heilig verklaard worden. (Een kandidaat tot de heiligverklaring moet minstens één mirakel hebben gedaan.)
Onwetende christenen gaan heiligen wel aanbidden. Een heilig verklaring wordt niet als dogma beschouwd, dus
geen verplichte geloofsvoorwaarde. Bij de Reformatorische Christenen op grond van de Bijbel, is een heilige een
gedoopte gelovige, of gewoon een gelovige in Jezus Christus. Halfgoden of Deva’s zijn ook engelen, in het
Hindoeïsme eveneens als een “god” beschouwd. In het Sanskriet is een godheid rijk aan stralende schoonheid. Een
Deva is een hemels wezen, hetzij goed, slecht, of onbelangrijk. De Deva’s zijn verdeeld in vele groepen en worden
niet alleen engelen en aartsengelen genoemd, maar dragen ook de naam van kleinere en grotere bouwers, in het
Katholicisme heiligen genoemd. Ramananda Prasad noemt ze “hemelse controleurs” (letterlijk vertaald). Wij
kozen alvast voor de Nederlandse taal “hemelse heersers” waar de vertaling erom vraagt (keuze vatbaar voor
verandering).
22. Aanbidding. De kracht van de godheden komt van de Verhevene Heer zoals het aroma van de wind door de
bloemen (BP 6.04.34). God vervult alle wensen van zijn aanbidders (BP 4.13.34). Men zou naar eender methode om
God te zoeken niet mogen overwegen, omdat al de erediensten, de aanbidding van dezelfde God is. Hij vervult al de
oprechte en nuttige gebeden van de devoten, indien Hij in geloof en liefde is aanbeden. De wijze realiseert dat al de
namen en gedaanten van Hem zijn, terwijl de onwetende het spel van de heilige oorlog speelt in de naam van de
godsdienst om persoonlijke winst op de kosten van de anderen te vergaren. Er wordt gezegd dat een persoon gelijk
eender god mag aanbidden, daar zijn of haar totale gehoorzaamheid en gebeden de Verhevene Wezen bereikt zoals
het vallen van regenwater die uiteindelijk de oceaan bereikt. Eender welke naam en goddelijke gedaante dat wordt
aanbeden, blijft het de eredienst aan dezelfde Verhevene Wezen, en men ontvangt de beloning van de goddelijk
eredienst wanneer in geloof volbracht. De gewenste resultaten der eredienst, zijn langs de favoriete god door de
Heer rechtstreeks geschonken. De menselijke wezens leven in de duisternis der gevangeniscellen van de paren van
tegenstellingen. Goden zijn zoals iconen die vensters kunnen openen waardoor de Verhevene kan worden
waargenomen. Niettemin, het aanbidden van de goden zonder volledige kennis van de natuur van de Verhevene
Wezen wordt als een vorm van onwetendheid beschouwt. (Ramananda Prasad)
23. De ware eredienst. Zij die hemelse heersers aanbidden staan onder het passionele; en hen die veel lagere
graden van eredienst praktiseren zoals het aanbidden van duistere geesten, spoken, zwarte magie, en Tantra – ook
als afgoderij bekend – om een overledene op te roepen, faam, of om vijanden te vernietigen, staan onder de
modaliteit van onwetendheid. De Heer Krishna waarschuwt tegen deze lage vormen van eredienst en raadt aan
enkel de ene en ware Verhevene Heer te aanbidden, hoe dan ook zijn naam en gedaante. De devoters van Krishna
kunnen, af en toe, Krishna in een andere gedaante aanbidden. In Mahabharata, de Heer Krishna zelf geeft Arjuna
de raad om een zachte moeder gedaante van God te aanbidden, bekend als Moeder Durga, juist voor het begin van
de oorlog, de overwinning tegemoet gaande. Het is zoals een kind die iets bij Moeder komt vragen, en niet bij de
Vader. De Heer is beide moeder en vader van alle schepselen.
25. Mâya-Yoga. De illusie die veroorzaakt wordt door het richten van het bewustzijn op de manifestatie, de
stoffelijke gebieden.
27. Parantapa. Zie 02.03
29. Adhyâtman. Samenstelling van adhi, ‘boven’ en âtma, ‘zelf’. Het verheven of oorspronkelijke Âtma.
Equivalent voor Paramâtman. Zie 06.07) Behorende tot het hoogste zelf, het totaal van de elementen die het zelf
bepalen.
30. Âdi-Bhûta. ‘Oorspronkelijke Element’. De oorspronkelijke grondslag van de stof in haar kosmische aspect.
Âdi-Daivata. Het goddelijke in allen en alles. Een algemene term voor het goddelijke deel van elk wezen.
Âdi-Yajna. Het ‘Oorspronkelijke Offer’. Heeft kosmische betrekking op de Kosmische Logos, die in de
Esoterische Wijsbegeerte wordt voorgesteld als zich offerend voor het welzijn van de wereld. Doordat de Logos zich
manifesteert, wordt aan de scharen van wachtende monaden de mogelijkheid geboden tot aanzijn te komen.