HOOFDSTUK 9
3. Dharma. Zie 2.40. Letterlijk betekent dit woord ‘wat bijeenhoudt’, maar het aantal betekenissen waarin het woord
wordt gebruikt is te groot om hier te vermelden. Het betekent ook ‘de juiste leer’.
4. Alle wezens zijn uit Mij. Een nadere uitwerking van het uitgangspunt der spiritualiteit van alle wezens. Het
‘Leven’, ‘Geest’, of Bewustzijn is de oorzaak van al het bestaande, in tegenstelling met de opvatting vanuit het
materialistisch standpunt, dat leven of bewustzijn ontspringt aan de materie. Hoewel alle wezens uit het goddelijke
voortvloeien, daalt het goddelijke er niet in af’, verenigt zich er niet mee, maar wordt erdoor versluierd.
6. Âkâśa. Het vijfde Kosmische Element, van de wortel kâś, ‘schijnen’, ‘stralen’. Derhalve de ‘stralende substantie’.
Âkâśa is oorspronkelijke ruimtelijke substantie van een subtiele bovennatuurlijke en spirituele aard en zij
doordringt alle dingen. Zij is het zintuig van Goddelijk Denken en vandaar dat wordt gezegd dat ze slechts één
kenmerk heeft, namelijk geluid. Âkâśa is het medium van de hogere gedachten van de mens, waardoor hij in contact
kan komen met de goden. Soms wordt Âkâśa ‘occulte elektriciteit’ genoemd en wordt gebruikt voor het
teweegbrengen van magische en spirituele verschijnselen. Door de Mahâtmans wordt ze het ‘gedenkschrift’ van zowel
de hiërarchie der Dhyân-Chohans als van elke geestelijke Ego genoemd, terwijl het Astrale Licht het ‘gedenkschrift’
der aarde en van de dierlijke mens is. Wanneer een mens, zoals Boeddha alle wezens liefheeft, omringt hij zich met
Âkâśische substantie, die een schild vormt waardoor geen negatieve invloeden kunnen doordringen. (Judith Tyberg:
Sanskrit Keys to the Wisdom Religion)
7. Kâlpa. Eeuw, tijdperk. Zie 8.17 Kâlpa is een tijdperk bestaande uit een dag en nacht van Brahma, 4.320.000.000
jaren.
Prakriti. Letterlijk: productie of voortbrenging. In het gewone gebruik wordt het ‘de natuur’ genoemd, de
voortbrengster van wezens en dingen. In de Hindoe-filosofie betekent het hetzelfde als ‘śakti’ en ‘maya’ of ‘mahâ-
maya’. (Zie 004.06 en 13) Samengevat: stof in een ongedifferentieerde vorm, te onderscheiden van mûlaprakriti
doordat in prakriti de guna’s (eigenschappen) reeds werkzaam zijn.
12. Asura. Zie hoofdstuk 16. Demonisch wezen, overheerst door rajas; vol eerzucht, heerszucht, hebzucht en bedrog.
Râkshasa’s. In het volksgeloof, kwade geesten, demonen of duivels. (Zie ook 10.23) duivelachtige wezen,
overheerst door tamas; vreugde scheppend in wrede kwellingen en bestialiteit.
13. Mahatma (grote zielen). Hij die er volkomen van doordrongen is dat Krishna alles is en zich derhalve aan Hem
overgeeft en volkomen opgaat in toegewijde dienst aan de Heer. Bijvoorbeeld, aan Gandhi werd de titel “Mahatma
Gandhi” gegeven en dan wel door het volk omwille van zijn ongehecht streven tot de onafhankelijkheid van India, ten
koste van zijn leven daar hij vermoord werd.
14. Bhakti. De yoga van intense liefde en devotie.
Nitya yukta. Altijd verbonden.
15. In deze vers is sprake van de categorieën van eenheidszoekers langs de weg van advaita en vashistadvaita; de
mensen aanbidden en vereren de Allerhoogste, die ons allerwegen tegemoetkomt als de levende kern in al het
geschapene en toch los van het geschapene; boven alles uit en steeds Zichzelf alleen; het Zijn.
16. Mantra. Offerspreuk. Van de wortel man, ‘denken’. Een Mantra wordt beschouwd als een instrument van het
denken. De Veda’s (zie 02.42) worden verdeeld in de Mantra en Brâhmana. Het Mantra-deel bevat gezangen, gebeden
en incantaties, waaraan occulte kracht wordt toegekend indien ze op de juiste wijze gezongen worden.
17. Rik, Sâman, Yajus. Verzen en gebeden uit de Veda’s. Vedas: Heilige Boeken van India, het Weten, in vier
verdeeld: De Rig-, Sama- en Yagur-Veda, en de Atharva).
19. Sat en Asat. Werkelijkheid en illusie, het Zijn en het niet-Zijn. Niettemin kan Asat ook in hoogst mystieke zin
betekenen ‘dat wat boven Sat is’.
Verzen 20 – 25. De volgende zes verzen van Gîtâ 9 is geen uitnodiging om blindelings op de Verhevene te vertrouwen
en de hele dag niets anders te doen dan mediteren, bidden en zingen, in afwachting dat al wat we nodig hebben, zelfs
tot een maaltijd, zomaar in ons bereik komen. Onder datgene wat God’s dienaars dienen te hebben bevinden zich ook
het brein en de handen waarmee ze tot Zijn eer in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Anderzijds zal de
Verhevene Zijn dienaar die zich in een reddeloze situatie bevindt, hetzij fysiek uitkomst bieden, hetzij hem de nodige
innerlijke vrede en blijmoedigheid schenken waarmee hij zijn naderende fysieke einde gaat accepteren. De Heer
Krishna voorziet in die zin in de behoeften van Zijn toegewijde dienaars dat ze al hun krachten en talenten leren
aanspreken tot Zijn eer en glorie. Zo geraken ze werkelijk vervuld en zo zullen ze bij het verlaten van hun lichaam
zeker Zijn hemel bereiken. Wat met de beloofde hemel bedoeld is, dat men in plaats van omhoog te gaan naar de
goddelijke wereld, waarvan men onmogelijk meer omlaag kan komen, gewoon blijft rond draaien in de kringloop van
dood en geboorte, om en weer op deze aarde te verblijven. Men kan zich, natuurlijk, beter toeleggen op de bedevaart
naar de goddelijke wereld, om daar een eeuwige leven vol gelukzaligheid en kennis te leiden en nooit meer terug te
keren naar het stoffelijk bestaan. Daartegen, het pad door de Veda-priesters voorgeschreven leidt niet naar de
Verhevene; zij die alleen verlangen naar de Verhevene, geven alle andere verlangens op; geven zich volkomen aan de
Verhevene. Hij draagt alle lasten en zo komt men tot de God-realisatie (8.22).
20. Somadrank. Door ingewijde Brâhmana’s gemaakt uit een zeldzame bergplant. De drank heeft dezelfde betekenis
als de ‘ambrosia’ of ‘nectar’ van de Olympische goden. Wat nu nog als Somadrank wordt gebruikt is slechts een
substituut. De betekenis is in werkelijkheid geheel en al mystiek en gelijk aan het drinken van ‘het bloed van
Christus” bij de Eucharistieviering.
Svarga. Hemel. Letterlijk, ‘het gaan of leidende tot het tehuis van het licht’. (Zie 03.22) Svarga, is ook svarloka,
de derde loka (gebied of gebieden van de kosmos). De apostel Paulus (Nieuw Testament) spreekt van de hemelse
gewesten.
Indra. De god van het firmament, de koning der goden van de tussenliggende gebieden, de heer van regen en
donder en de leider van de Maruts, de stormgoden. Hij wordt voorgesteld als rijdende in een gouden wagen, getrokken
door twee kleurige paarden en oorlogvoerende tegen de demonen der duisternis.
21. Hemels zingenot smaken. Als zij de beloning voor hun goede daden volledig hebben genoten.
25. Deva (devas). Een geestelijk-goddelijk wezen, ‘een stralende’ (engel). Deva is een algemene term die alle graden
van geestelijke wezens omvat, zowel onzelfbewuste als zelfbewuste. (Zie hoofdstuk 16.)
Pitri’s. De ‘Vaders’ der mensheid, de ‘scheppers’ van de verschillende aspecten van het menselijk wezen. (Zie
06.07) Onderscheiden worden:
1. De Zonnepitri’s, Kumâra’s, Agnishwâtta’s en Mânasaputra’s, de verwekkers van de hogere delen van de
menselijke natuur.
2. De Maanpitri’s, Barhishads, degenen die het astrale model voor het stoffelijke lichaam verschaffen.
Bhûta’s. (De oorspronkelijke elementen.) De schillen der overledenen in ‘Kâma-loka’, ‘dat wat geweest is’ of het
Kâma-rûpa.
26. Commentaar op vers. Deze vers of citaat doet ons denken aan “prasâda” (letterlijk: genade), het algemeen
voedsel dat eerst aan de Heer is geofferd, en nadien onder de gelovigen verdeeld als van de Heer Zelf ontvangen.
28. Commentaar op vers. Zoals in vorige hoofdstukken aangehaald, Yoga van verzaking is alle handelingen
verrichten als offerande aan de Verhevene, dus zonder de vruchten van handelingen te begeren.
29. Commentaar op vers. Het volledig opgaan in Sat-Purusha wordt parabhakti genoemd; dit is de uiteindelijke stap,
die alle Jnana-yogis zullen moeten ondernemen, willen ze tot Zelfrealisatie komen.
32. Uit de schoot der zonde geboren. Het begrip ‘zonde’ heeft in de Westerse wereld een bijzondere betekenis
gekregen die echter weinig gemeen heeft met de oorspronkelijke bedoeling. In de algemene betekenis moet meer
worden gedacht aan ‘overtredingen’, ‘struikelen’ of ‘dwalingen’. Deze leiden tot dienovereenkomstige gevolgen,
welke, gedurende een aantal levens volgehouden, de zich wederbelichamende entiteit brengen in een overeenkomstig
milieu.
Vrouwen. In religieuze en filosofische geschriften wordt in het algemeen laatdunkend over ‘vrouwen’ gesproken,
namelijk in de Bijbel, Plato, enz.). De achtergrond ervan ligt in de kennis omtrent de oorzaken die tot ‘vrouw-zijn’
leiden, zoals dat zich in de huidige evolutieperiode der mensheid manifesteert. Daarom moet veeleer gedacht worden
aan het zich overgeven aan passiviteit (Tamas) en niet aan specifieke lichamelijke kenmerken.
Vaiśya’s en Sûdra’s. Zie hoofdstukken 03 en 18.41-44. Vaiśya’s en Sûdra’s, een van de vier kasten in India.
32. Brâhmana’s, toegewijde koninklijke Wijzen (Kshattriya’s). Zie de hoofdstukken 03 en 18.41-44.